← Week 24

Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 april 2026

OK gelast enquête en benoemt commissaris en beheerder wegens aandeelhoudersbemoeienis

  • Enquêterecht
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De ondernemingsraad van een groep zoetwarenvennootschappen verzoekt de OK om een enquête en onmiddellijke voorzieningen vanwege de volgens hem ontoelaatbare bemoeienis van de indirect enig aandeelhouder met het beleid. De OK oordeelt dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken, mede in het licht van artikel 2:8 BW en de gevolgen voor de financiering. Zij gelast een onderzoek, benoemt een commissaris en draagt de aandelen over aan een beheerder.

Kernoverwegingen

“Uitgangspunt is dat het bestuur de strategie van de vennootschap bepaalt en daarover aan de algemene vergadering verantwoording aflegt, maar dat het bestuur in beginsel niet verplicht is om de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Bij het bepalen van de strategie van de vennootschap richt het bestuur zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een aandeelhouder mag in beginsel zijn eigen belang tot richtsnoer nemen, waarbij de aandeelhouder zich wel moet gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW). Wat de redelijkheid en billijkheid vorderen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een aandeelhouder mag bij de uitoefening van zijn rechten het belang van de vennootschap in beginsel niet veronachtzamen, zo volgt uit artikel 2:8 BW. Ook de mate waarin een aandeelhouder rekening moet houden met andere belangen, hangt af van de omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid dient een aandeelhouder meer gewicht toe te kennen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid naarmate zijn invloed op de vennootschap en haar onderneming groeit en naarmate meer belangen van andere betrokkenen in het geding zijn. In bijzondere omstandigheden kan dit meebrengen dat een meerderheidsaandeelhouder het belang van de vennootschap dient te laten prevaleren boven zijn eigen belangen (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2022:302, Funda; […]”

r.o. 4.5

“Vanaf het moment dat Kors op 20 december 2024 weer enig aandeelhouder werd van LJH heeft [A] zich steeds nadrukkelijker bemoeid met de dagelijkse gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen. De dwingende, wispelturige en vaak onvoorspelbare wijze waarop [A] daarbij optreedt, geeft aanleiding te twijfelen aan een juiste gang van zaken bij LJH. Uit het dossier en de mondelinge behandeling komt het beeld naar voren dat [A] onder invloed van zijn mentale toestand, gecombineerd met een verslaving aan verdovende middelen, namens Kors als enig aandeelhouder van LJH veelal in een opwelling min of meer ondoordachte (beleids)beslissingen voorstelt, aankondigt en soms ook neemt, waarbij hij de governance binnen de groep niet respecteert, voorbijgaat aan de bevoegdheden van het bestuur en de formele vereisten voor besluitvorming door de algemene vergadering. [A] geeft het bestuur van LJH en de dochtervennootschappen rechtstreeks en op dwingende wijze instructies en stelt zich op het standpunt dat het bestuur gehouden is alle aanwijzingen van enig aandeelhouder Kors zonder meer op te volgen. [A] meent ten onrechte dat hij als bestuurder van enig aandeelhouder Kors het beleid en de strategie van LJH kan dicteren. Ook ter zitting heeft [A] dit standpunt gehandhaafd.”

r.o. 4.6

“Het optreden van [A] namens Kors vormt inmiddels ook een concrete bedreiging voor de financiële positie van de LJH en haar dochtervennootschappen. De nodige vernieuwing van het machinepark vergt een investering van circa € 10 miljoen. ABN is in beginsel bereid daarvan € 7,5 miljoen te verstrekken. Op 13 mei 2025 heeft ABN in een gesprek met toenmalig bestuurder [C] evenwel te kennen gegeven dat zij de kredietrelatie zou beëindigen als [A] zich met de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming zou gaan bemoeien. Omdat [C] zich tegen de bemoeienis van [A] verzette en weigerde diens instructies te volgen, moest hij het veld ruimen en werd hij per 1 augustus 2025 opgevolgd door Boom. Nadat [A] had aangekondigd dat ook Boom zou worden ontslagen en dat Kors tot bestuurder van LJH zou worden benoemd, heeft op 13 januari 2026 opnieuw een gesprek met ABN plaatsgevonden. In dat gesprek bevestigde ABN dat zij de kredietrelatie zou beëindigen als [A] zich met de aansturing van de onderneming zou gaan bemoeien, Boom zou worden ontslagen en/of Kors als bestuurder zou worden benoemd. Naar aanleiding van de inschrijving op 14 januari 2026 van Kors in het handelsregister als bestuurder van LJH heeft ABN op 23 januari 2026 ook daadwerkelijk de kredietrelatie bij wijze van tijdelijke maatregel bevroren en de kredietruimte teruggebracht tot € 0. Daarnaast is de verhouding met geldverstrekker GHE onder druk komen te staan vanwege de bij herfinanciering overeengekomen […]”

r.o. 4.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1007
Instantie
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
8 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.