Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026
Persoonlijke aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepalers voor onbetaald gebleven schadevergoeding van concernvennootschap afgewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een schuldeiser stelde de oprichter van een concern en diens zoon als feitelijk beleidsbepalers persoonlijk aansprakelijk omdat een concernvennootschap een toegewezen schadevergoeding niet betaalde. Het hof oordeelt dat geen persoonlijk ernstig verwijt bestaat: het achterwege laten van een voorziening was verdedigbaar, de vennootschap had geen middelen meer en onttrekking van vermogen is onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt causaal verband. De vorderingen worden alsnog afgewezen.
Kernoverwegingen
“Het hof stelt voorop dat ter zake van de benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden […]”
r.o. 6.3.3
“Wat betreft het verwijt dat [appellant 1] c.s. het er niet toe hebben geleid dat Carigna een voorziening heeft getroffen voor de vordering van [geïntimeerde] , stelt het hof het volgende voorop. Als Curaçaose naamloze vennootschap gold voor Carigna de regel dat de jaarrekening volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht moet geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de vennootschap (Landsverordening van de 29ste december 2003 houdende vaststelling van de tekst van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 116 lid 4). Hierbij is van belang dat op de balans voorzieningen kunnen worden opgenomen tegen naar hun aard duidelijk omschreven verplichtingen die op de balansdatum als waarschijnlijk of als vaststaand worden beschouwd, maar waarvan niet bekend is in welke omvang of wanneer zij zullen ontstaan. Voor zover [geïntimeerde] ervan uitgaat dat met het opnemen van een voorziening in de jaarrekening de vennootschap ook daadwerkelijk een bedrag opzij moet zetten, miskent dit dat het hier (slechts) gaat om een boekhoudkundige raming aan de passiefzijde. 6.3.6. Ten aanzien van het bestaan van een betalingsverplichting van Carigna jegens [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant 1] c.s. sinds het schenden van het voorkeursbeding in 1999 op de hoogte […]”
r.o. 6.3.5
“De stellingen van [appellant 1] c.s. over de financiële positie van Carigna worden bevestigd door de overgelegde voorlopige publicatiestukken 2000, Financial Statements 2000 en de overgelegde aangifte vennootschapsbelasting over 2005. Hieruit volgt dat Carigna in de jaren vanaf 2001 steeds meer verlies leed en dat haar eigen vermogen steeds negatiever werd. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat Carigna haar onderneming heeft gestaakt na het besluit van DNB van 12 oktober 2004. In 2005 had Carigna dus geen onderneming meer waaruit inkomsten te verwachten waren, terwijl de omvang van haar schulden op dat moment haar bezittingen overtroffen. Over de vraag of en zo ja hoeveel schadevergoeding Carigna aan [geïntimeerde] verschuldigd zou zijn, moest op dat moment nog worden geprocedeerd. Toen in het najaar van 2005 de schadestaat werd betekend, was er als gevolg van de hiervoor geschetste omstandigheden dus al geen sprake meer van een onderneming die omzet genereerde terwijl zij wel nog verplichtingen had, en had het opnemen van een voorziening in de boeken dus hoe dan ook geen zin meer. Het achterwege laten daarvan door bestuurders of feitelijk beleidsbepalers van Carigna kan in de gegeven omstandigheden dan ook niet als zodanig onzorgvuldig ten opzichte van [geïntimeerde] worden aangemerkt dat hen daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het lag immers voor de hand dat Carigna met de nog aanwezige activa van haar opeisbare schulden zou voldoen, en het stond […]”
r.o. 6.3.10