Gerechtshof Amsterdam · 21 april 2026
Verbod en ontbinding stichting Hells Angels-clubhuis: vermoeden openbare orde weerlegd
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Het openbaar ministerie verzocht een stichting die haar clubhuis en bankrekening ter beschikking stelde aan een afdeling van de Hells Angels en daarvoor strafrechtelijk was veroordeeld, te verbieden en te ontbinden op grond van artikel 2:20 BW. Het hof oordeelt dat het bewijsvermoeden van artikel 2:20 lid 3 BW al geldt als de werkzaamheid heeft geleid tot geweld, ook als dat in het verleden ligt. De stichting heeft dat vermoeden echter weerlegd, onder meer door jarenlange inactiviteit en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor voortgezette betrokkenheid. Gelet op de terughoudendheid vanwege de vrijheid van vereniging is een verbod niet noodzakelijk en wordt de afwijzing bekrachtigd.
Kernoverwegingen
“In zowel artikel 8 van de Grondwet als artikel 11 van het EVRM wordt het recht op vrijheid van vereniging gewaarborgd. De Nederlandse overheid moet dat grondrecht respecteren. Aan de uitoefening van dat grondrecht kunnen weliswaar bij wet voorziene beperkingen worden gesteld, maar die beperkingen moeten dan wel noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal specifiek omschreven belangen. Zoals ook de rechtbank (onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad) heeft overwogen, moet in het algemeen daarom grote terughoudendheid worden betracht bij het verbieden en ontbinden van een rechtspersoon. Daarvan kan alleen sprake zijn als de uitzonderlijk ernstige aard van de gedragingen en de aard van de werkzaamheid van de rechtspersoon dwingen tot het oordeel dat het bij afweging van alle betrokken rechten en belangen in een democratische samenleving noodzakelijk is dat een rechtspersoon wordt verboden en ontbonden. Voor een verbod moet er dus sprake zijn van meer dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. Een verbod moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel vormen en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. Niet noodzakelijk is dat de rechtspersoon reeds daadwerkelijk een gevaar vormt voor de openbare orde.”
r.o. 5.3
“Anders dan [verweerster] betoogt, volstaat voor het aannemen van het vermoeden dat de werkzaamheid van [verweerster] in strijd is met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 lid 3 BW de constatering dat de werkzaamheid van [verweerster] heeft geleid tot geweld. Het is dan aan [verweerster] dat vermoeden te weerleggen, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.”
r.o. 5.8
“Het hof overweegt dat niet op voorhand eisen kunnen worden gesteld aan de wijze waarop het tegenbewijs tegen het vermoeden van art. 2:20 lid 3 BW dient te worden geleverd. Het is aan [verweerster] feiten en omstandigheden aan te voeren die meebrengen dat in haar geval geen sprake meer is van strijd met de openbare orde. Het komt dan aan op een op dit concrete geval toegesneden weging en waardering van de aangevoerde feiten en omstandigheden. In dat verband moet ook de weging worden gemaakt of hetgeen kan worden vastgesteld maakt dat een verbod vanwege strijdigheid met de openbare orde noodzakelijk en proportioneel is. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het hier gaat om een beperking van de in artikel 8 Grondwet en artikel 11 EVRM gewaarborgde grondrechten (zie wat hierover in 5.3 is overwogen).”
r.o. 5.16