Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 april 2026
Enquête: niet-ontvankelijkheid verzoek geschorste bestuurder en tegenverzoek bij ontbrekend belang
- Enquêterecht
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
De OK verklaart een enquêteverzoek van twee vennootschappen en hun voormalige bestuurder niet-ontvankelijk, omdat de geschorste en ontslagen bestuurder de vennootschappen niet kon vertegenwoordigen en zijn belang als aandeelhouder van een gefailleerde moedermaatschappij niet gelijkstaat aan dat van een aandeelhouder. Ook het tegenverzoek van de huidige bestuurder faalt bij gebrek aan belang, omdat de kosten van het onderzoek niet gewaarborgd zijn en hij zelf een onderzoek kan instellen.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek komt toe aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend. De daartoe strekkende opsomming in art. 2:346 BW is limitatief. Indien het verzoek wordt ingediend door een rechtspersoon, bedoeld in art. 2:346 lid 1, aanhef en onder e, BW, dient deze daarbij rechtsgeldig te worden vertegenwoordigd. Een geschorste of ontslagen bestuurder is niet bevoegd tot vertegenwoordiging van de rechtspersoon. Daarom is een rechtspersoon in beginsel niet-ontvankelijk in zijn enquêteverzoek, indien het verzoek is ingediend door een bestuurder die op het moment van indiening reeds was geschorst of ontslagen. Op dit uitgangspunt kan evenwel een uitzondering worden aanvaard indien in de gegeven omstandigheden aan de rechtspersoon in redelijkheid geen beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid toekomt omdat dit zou leiden tot een onaanvaardbare doorkruising van een juiste werking van het enquêterecht (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2020:3273, L2Fiber). Een onaanvaardbare doorkruising kan zich voordoen als voorshands aannemelijk is dat met de schorsing of het ontslag slechts werd beoogd te verhinderen dat de bestuurder een enquêteverzoek zou indienen en de Ondernemingskamer zou verzoeken onmiddellijke voorzieningen te treffen ter voorkoming van die schorsing of dat ontslag (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2026:574, Semiblocks).”
r.o. 4.4
“De Ondernemingskamer acht dit een en ander onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat de rechtspersoon in redelijkheid geen beroep kan doen op de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van haar geschorste en ontslagen bestuurder. Voorts kan op grond van de door verzoeksters gestelde feiten en omstandigheden niet voorshands worden aangenomen dat met de besluiten tot schorsing en ontslag slechts beoogd werd te verhinderen dat [Bestuurder] namens de Adria-vennootschappen een enquêteverzoek zou indienen. De Ondernemingskamer wijst op de lange tijdsduur tussen de schorsingsbesluiten van 9 december 2025 en het moment waarop het enquêteverzoek werd ingediend (6 februari 2026). Verweersters hebben in dit verband ook gewezen op een volgens hen reeds geruime tijd bestaande weigering van [Bestuurder] om inzicht te verschaffen in de gang van zaken binnen de Adria-vennootschappen, alsmede op hun vrees voor onttrekkingen aan het vermogen van die vennootschappen en voor benadeling van schuldeisers.”
r.o. 4.7
“Verzoeksters wijzen in het kader van hun betwisting van dit ontvankelijkheidsverweer er nog op dat de gang van zaken rondom de schorsing van [Bestuurder] en benoeming van Bogojević op 9 december 2025 onzorgvuldig is verlopen doordat [Bestuurder] niet in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen (art. 2:15 lid 1, aanhef en onder a en b, BW in verbinding met art. 2:227 lid 7 BW) en dat hij niet is gehoord (art. 2:8 BW). Ook is de besluitvorming in de algemene vergadering van 23 december 2025 volgens [Bestuurder] onzorgvuldig verlopen doordat hij in verband met zijn ziekmeldingen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen en gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. In het midden kan blijven of dit betoog gegrond is – dit staat ter beoordeling van de civiele rechter. Indien gegrond zijn de besluiten tijdens de algemene vergaderingen van 9 en 23 december 2025 ten hoogste vernietigbaar en niet nietig. Voor de toepassing van het enquêterecht moet daarom ervan worden uitgegaan dat de besluiten de daarmee beoogde rechtsgevolgen hebben gehad zo lang zij niet zijn vernietigd. Dit brengt mee dat dit betoog niet kan leiden tot ontvankelijkheid van het enquêteverzoek dat [Bestuurder] namens de Adria-vennootschappen heeft ingediend. De Ondernemingskamer zal de Adria-vennootschappen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.
Ontvankelijkheid van het verzoek van [Bestuurder] als aandeelhouder van Agrokor Projekti”
r.o. 4.8