Gerechtshof Amsterdam · 12 mei 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:9 BW: verjaring, decharge en matiging bij fiscale schuld
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator sprak de voormalige bestuurder van een fiscaal vehikel aan voor een onverhaalbare belastingschuld nadat het vermogen met zijn volmachten was weggevloeid. Het hof verwerpt de verweren van verjaring en decharge en oordeelt dat de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij alle controle op het vermogen losliet. De schade van ruim € 621.000 wordt op grond van artikel 6:109 BW gematigd tot € 100.000.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:210 lid 3 BW bepaalt (en bepaalde ook al ten tijde van de vaststelling van de jaarrekeningen 2008 en 2009) dwingendrechtelijk dat vaststelling van de jaarrekening niet tot kwijting aan een bestuurder strekt. Decharge moet afzonderlijk worden geagendeerd. Anders dan de curator aanvoert hoeft een dechargebesluit dat bij het defungeren van een bestuurder voorziet in een finale decharge niet te wachten op de vaststelling van de eerstvolgende jaarrekening.”
r.o. 3.9
“De volgende vraag is of [geïntimeerde 1] zich met succes kan beroepen op de hem verleende decharge. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. [geïntimeerde 1] wordt in het onderhavige geval aangesproken in verband met handelingen van de aandeelhouder waarmee deze op grond van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten over het gehele vermogen van [naam] heeft beschikt en waarop [geïntimeerde 1] geen zicht heeft gehad maar wel had moeten houden. Dit heeft tot gevolg gehad dat een onverhaalbare fiscale schuld is ontstaan. De benadeling van de fiscus weegt te meer zwaar nu [naam] een fiscaal vehikel betreft en verder geen banden heeft met Nederland. Onder deze omstandigheden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde 1] zich beroept op een hem door diezelfde aandeelhouder verleende decharge. Dit beroep wordt dus verworpen.
De schade”
r.o. 3.10
“Dit betoog, dat deels eerder is gevoerd en deels eerder had kunnen worden gevoerd, geeft het hof geen aanleiding terug te komen van zijn beslissing over de aansprakelijkheid. Het hof merkt hierover nog het volgende op. Het verwijt aan [geïntimeerde 1] is niet dat hij zich inhoudelijk had moeten bemoeien met de bedrijfsvoering of zelfstandig maatregelen had moeten treffen. Naar zijn stelling fungeerde [geïntimeerde 1] als een trustbestuurder en werden alle belangrijke beslissingen aangaande [naam] door de aandeelhouder genomen. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen als bestuurder van [naam] . [geïntimeerde 1] wordt in deze zaak met name verweten dat hij alle controle over en elk zicht op (het vermogen van) [naam] heeft losgelaten. Daarbij heeft hij zich bij de stukken die hij als bestuurder tekende geen rekenschap gegeven van de belangen van de vennootschap, en in dit geval van de verplichtingen die voor de vennootschap jegens de fiscus konden ontstaan. Bij het tekenen van de volmacht waarmee het hele vermogen van [naam] zou kunnen worden uitgeleend, had hij bij de aandeelhouder daarvoor aandacht moeten vragen en als dat niet tot resultaat leidde daaraan consequenties moeten verbinden. Als, zoals hij stelt, deze aandeelhouder hem nooit in staat zou hebben gesteld die verantwoordelijkheid als bestuurder te dragen (waarbij overigens niet blijkt dat hij daarom heeft gevraagd), had hem dat eens te meer te denken moeten geven. [geïntimeerde […]”
r.o. 3.15