Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 juni 2026
Vernietiging inkoopbesluit door OK-bestuurder; uitkeringstest geen besluit; verhaal verweerkosten
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Enquêterecht
- Overig Boek 2
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Aandeelhouders van een houdstervennootschap vorderden vernietiging van het besluit van de door de OK benoemde bestuurder om aandelen van een uittredende aandeelhouder in te kopen, en van de vaststelling dat aan de uitkeringstest van artikel 2:207 lid 2 BW was voldaan. Het hof wijst dit af: de bestuurder was gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en kon in redelijkheid en billijkheid tot het besluit komen, en de uitkeringstest is geen besluit in de zin van artikel 2:15 BW. Ook wijst het hof de schadevorderingen van de OK-functionarissen wegens onrechtmatig procederen grotendeels toe.
Kernoverwegingen
“Bij een vernietigingsvordering op de voet van artikel 2:15 lid 1 sub b BW moet beoordeeld worden of het orgaan van de rechtspersoon bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid, en met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit moet beoordeeld worden naar het moment waarop het besluit werd genomen. De rechter dient zich hierover een zelfstandig oordeel te vormen. Bij deze beoordeling past de rechter terughoudendheid.
Inkoop van aandelen”
r.o. 5.8
“Voorop staat dat [geïntimeerde 1] zich in de VSO had verbonden de [naam 1] -aandelen in te kopen onder de daarin opgenomen voorwaarden. In dit hoger beroep staat niet ter discussie dat [geïntimeerde 2] als bestuurder van [geïntimeerde 1] bevoegd was de VSO aan te gaan en dat hij – kort gezegd – in redelijkheid daartoe had kunnen besluiten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering tot vernietiging van het besluit de VSO aan te gaan afgewezen en [appellanten] hebben daartegen geen grieven gericht. Dit brengt met zich dat [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit gebonden was aan de afspraken in de VSO. Hij diende binnen de daarin afgesproken voorwaarden uitvoering te geven aan de VSO. De bezwaren van [appellanten] tegen in de VSO vastgelegde afspraken over het waarderingsproces (zoals het korte tijdspad en de informatie die aan [naam 2] beschikbaar zou worden gesteld) gaan daarmee niet op. [geïntimeerde 2] was bij het nemen van het inkoopbesluit aan die afspraken gebonden. Verder geldt dat de speelruimte van [geïntimeerde 2] vanwege de bindende afspraken in de VSO beperkt was. Dat [geïntimeerde 1] (onder de voorwaarden van de VSO) de [naam 1] -aandelen zou inkopen, was voor [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit een gegeven. Met omstandigheden die de noodzaak van die inkoop in twijfel zouden kunnen trekken kon en mocht [geïntimeerde 2] geen rekening houden. Dat geldt in elk geval voor de mogelijke verwachtingen over de uitkomst van het […]”
r.o. 5.12
“[geïntimeerde 2] heeft erop gewezen dat hij het inkoopbesluit pas heeft genomen nadat de Ondernemingskamer het verzoek van [appellanten] om de uitvoering van de VSO – dat wil zeggen: de inkoop van de [naam 1] -aandelen – te verbieden, had afgewezen (zie 3.15). De gronden die [appellanten] in de procedure bij de Ondernemingskamer hebben aangevoerd, komen voor een belangrijk deel overeen met de gronden die [appellanten] in deze procedure aanvoeren ter ondersteuning van hun vordering tot vernietiging van het inkoopbesluit. Dit betreft in elk geval het verwijt dat de waardering door [naam 2] het resultaat is van een onzorgvuldig proces, het verwijt dat de financiële situatie van [geïntimeerde 1] uitkoop tegen de op basis van die waardering vastgestelde inkoopprijs niet toeliet en de hiervoor in 5.12 genoemde verwijten over de noodzaak van de inkoop van de [naam 1] -aandelen. De Ondernemingskamer heeft al deze verwijten niet gegrond bevonden. Hoewel dit oordeel niet beslissend is voor het lot van de in deze zaak te beoordelen vernietigingsvordering – als gezegd dient het hof zich hierover in deze zaak een zelfstandig oordeel te vormen – vormde dit oordeel wel een belangrijk ijkpunt voor [geïntimeerde 2] bij het nemen van het inkoopbesluit. [geïntimeerde 2] mocht zich als redelijk handelend bestuurder richten naar het oordeel van de Ondernemingskamer. Overigens onderschrijft het hof het oordeel van de Ondernemingskamer over de gestelde onzorgvuldige totstandkoming van het […]”
r.o. 5.13