← Week 24

Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 juni 2026

OK wijst enquête af en stoot aandeelhouder uit; prijs op bad leaver-basis

  • Geschillenregeling
  • Enquêterecht
  • Aandelenwaardering
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een aandeelhouder van een GGZ-groep verzoekt een enquête; de medeaandeelhouders verzoeken op hun beurt haar uitstoting. De OK wijst het enquêteverzoek af, maar wijst de uitstoting toe omdat de aandeelhouder via haar indirect aandeelhouder het belang van de vennootschap, mede gelet op het publieke belang bij zorgcontinuïteit, ernstig heeft geschaad. De contractuele regeling is geen eigen regeling in de zin van artikel 2:337 BW, en de prijs wordt zonder deskundige vastgesteld op 20% van de marktwaarde op basis van de bad leaver-bepaling.

Kernoverwegingen

“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Artikel 2:337 lid 1 BW bepaalt dat indien de statuten of een overeenkomst een regeling bevatten voor de oplossing van aandeelhoudersgeschillen door de overdracht van aandelen of stemrechten op een daarin opgenomen afwijking van de wettelijke geschillenregeling geen beroep kan worden gedaan voor zover deze de overdracht van aandelen onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. Een dergelijke zogeheten eigen regeling moet aan een aantal voorwaarden voldoen om aan de toepassing van de wettelijke geschillenregeling in de weg te kunnen staan. De eigen regeling moet (i) kunnen leiden tot een daadwerkelijke overdracht van de aandelen (of het stemrecht), (ii) binnen een afzienbare termijn, mag (iii) die overdracht niet uiterst bezwaarlijk of onmogelijk maken en mag (iv) niet leiden tot een kennelijk onredelijke prijs.”

r.o. 4.18

“Opos c.s. betogen onder meer dat IP-Beheer ingevolge artikel 12.1 onder f en h aandeelhoudersovereenkomst gehouden is haar aandelen aan te bieden (zie 3.6). Anders dan het kopje boven artikel 12 suggereert, is aan deze aanbiedingsverplichting geen afnameplicht gekoppeld. Door het ontbreken van een afnameplicht kan niet worden aangenomen dat toepassing van de eigen regeling binnen afzienbare tijd leidt tot daadwerkelijke overdracht van de aandelen. Volgens IP-Beheer staat het ontbreken van een afnameplicht in dit geval niet in de weg aan een beroep op de eigen regeling omdat het hier gaat om een verzoek tot uitstoting, niet om een uittredingsverzoek. Dat verweer valt evenwel niet te verenigen met de betwisting door IP-Beheer van het bestaan van een aanbiedingsplicht. Het beroep van IP-Beheer op de eigen regeling berust immers op de premisse dat een aanbiedingsplicht juist wél bestaat. Door de betwisting van de aanbiedingsplicht ligt een daadwerkelijke overdracht binnen afzienbare tijd ook niet in het verschiet (vgl. spiegelbeeldig - met betrekking tot een uittreding: ECLI:NL:GHAMS:2023:995, Facemed, rov. 4.49). Het beroep op een eigen regeling kan hier dus niet aan de toepassing van de wettelijke geschillenregeling in de weg staan.

Goede procesorde”

r.o. 4.19

“Dat gegeven is van belang in het kader van de inhoudelijke beoordeling van het uitstotingsverzoek. In het najaar van 2025 kwam Inter-Psy in financieel zwaar weer terecht. Een belangrijke oorzaak was de overschrijding door Inter-Psy van omzetplafonds in de periode voorafgaand aan de overname. Hierdoor ontstonden voor Inter-Psy grote terugbetalingsverplichtingen jegens de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars gingen vervolgens over tot verrekening met hun verplichtingen jegens Inter-Psy uit de periode na de overname. Inter-Psy kwam hierdoor in liquiditeitsproblemen en werd door Rabobank onder bijzonder beheer geplaatst. In de koopovereenkomst was onderkend dat Inter-Psy als gevolg van de overschrijding van omzetplafonds geconfronteerd kon worden met omvangrijke verplichtingen jegens de verzekeraars. AZG had daarom een vrijwaringsverplichting op zich genomen. Vanaf oktober 2025 is AZG aangesproken tot nakoming van haar vrijwaringsverplichting. Terwijl die verplichting niet ten gronde werd betwist, betoogde AZG – zonder contractuele basis en naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegen de strekking van het beding – dat haar verplichtingen pas opeisbaar zouden zijn nadat de jaarrekening was vastgesteld. Verder beriep zij zich op bepalingen uit de VSO terwijl al snel duidelijk was dat deze bij gebrek aan instemming van Rabobank niet in werking zouden treden. Intussen aarzelde [indirect aandeelhouder A] niet via LJP het faillissement van Inter-Psy aan te vragen toen deze nog […]”

r.o. 4.22

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1603
Instantie
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
11 juni 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:337 BW, 2:339 BW, 2:340 BW, 2:341 BW, 2:8 BW
Thema
Geschillenregeling, Enquêterecht, Aandelenwaardering
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.