Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 9 juli 2026
Afwijzing uittredingsverzoek grootaandeelhouder houdstervennootschap; gedrags- en schadecriterium artikel 2:343 BW
- Geschillenregeling
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een grootaandeelhouder en medeoprichter van een houdstervennootschap verzocht de OK om uittreding op grond van artikel 2:343 BW nadat onderhandelingen over haar vertrek waren mislukt. De OK wijst het verzoek af: toezeggingen zijn niet aangetoond, er was geen overeenstemming en het afbreken van de onderhandelingen was onvoldoende ernstig voor het gedragscriterium. Ook het schadecriterium leidt niet tot toewijzing, omdat de aandeelhoudersovereenkomst voor alle aandeelhouders gold.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Voor toewijzing van het uittredingsverzoek is vereist dat [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] door gedragingen van Mama Giraffe en/of de Aandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW). In de uittredingsnorm liggen drie criteria besloten: a. het gedragscriterium. Daarbij kan het gaan om gedragingen ten aanzien waarvan de betrokken aandeelhouder een verwijt treft, maar vereist is dat niet. Ook gedragingen van een aandeelhouder die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:3222, Gebroeders Maassen); b. het schadecriterium, dat meebrengt dat de verzoekende aandeelhouder in zijn rechten of belangen is geschaad als gevolg van de betrokken gedragingen; c. het redelijkheidscriterium. Dit criterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de verzoekende aandeelhouder bij het eindigen van haar aandeelhouderschap en anderzijds het belang van, in dit geval, de Aandeelhouders niet gedwongen te worden tot overname. In die belangenafweging wordt ook het belang van de vennootschap meegewogen.”
r.o. 4.4
“De onderhandelingen tussen partijen vonden plaats tegen de achtergrond van de regeling in de SHA, die [medeoprichter 1] als grootaandeelhouder en founder zeer goed kent. De onderhandelingen strekten ertoe hem de kans te geven een verbetering te bewerkstelligen van zijn positie ten opzichte van die overeenkomst. Tussen partijen stond daarmee vast dat, bij gebreke van overeenstemming, op die contractuele regeling zou worden teruggevallen. Partijen hebben in hun onderhandelingen overeenstemming bereikt over de tekst van de deal proposal, maar dat heeft, als hiervoor overwogen, niet tot overeenstemming over de (voorwaarden van) uittreding van [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] als aandeelhouder geleid. Niet kan worden gezegd dat de reden daarvoor primair is gelegen in gedragingen van de andere aandeelhouders van Mama Giraffe, dan wel van omstandigheden die in hun risicosfeer liggen. Wat die gedragingen betreft wijst de Ondernemingskamer erop dat [medeoprichter 2] in haar e-mail van 23 januari 2025 nog heeft benadrukt dat de uitgangspositie was een Compulsory Offer Event volgens de SHA, maar dat de bereidheid bestond gedurende maximaal twee weken een andere oplossing uit te onderhandelen. Die termijn van twee weken heeft Mama Giraffe prijsgegeven: de onderhandelingen over de deal proposal hebben geduurd van 23 januari 2025 tot 21 maart 2025. Het voorstel dat daarbij aan [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] is […]”
r.o. 4.10
“Niettemin was na de closing op 6 juni 2025 van de Virida-transactie, de opzegging van de managementovereenkomst door GGCP op 18 juni 2025 en de ongemotiveerde mededeling aan [medeoprichter 1] op 20 juni 2025 dat de onderhandelingen niet zouden worden voortgezet, onverhoeds. De aandeelhouders hebben de vraag waarom zij direct na de Virida-transactie dit standpunt hebben ingenomen en geen (desnoods laatste) poging hebben ondernomen om de onderhandelingen over de resterende kwesties af te ronden, ter zitting niet bevredigend kunnen beantwoorden. Evenmin hebben zij toegelicht waarom het (onvoldoende weersproken) aanbod van [medeoprichter 1] om de concept VSO te aanvaarden in de vorm waarin deze laatstelijk namens de aandeelhouders was voorgesteld, niet acceptabel was. Dat is opmerkelijk, ook gegeven het feit dat dat het voorstel was van de Aandeelhouders, die bereid waren met [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] een betere overeenkomst te sluiten dan uit toepassing van de SHA zou voortvloeien. Die houding van de Aandeelhouders is, ook gegeven de houding die [medeoprichter 1] in de onderhandelingen heeft aangenomen, echter onvoldoende ernstig om te kunnen spreken van gedragingen waardoor van [persoonlijke vennootschap van medeoprichter 1 + grootaandeelhouder] zozeer in haar rechten of belangen is geschaad dat van haar in redelijkheid niet langer kan worden gevergd aandeelhouder te blijven.”
r.o. 4.11