Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 juli 2026
Enquêteverzoek afgewezen na belangenafweging ondanks gegronde twijfel aan juiste gang van zaken
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een tennisvereniging die grootaandeelhouder en huurder is van een besloten vennootschap verzocht de OK om een enquête en onmiddellijke voorzieningen, na een conflict tussen de twee grootaandeelhouders dat doorwerkte in de raad van commissarissen. De OK oordeelt dat gegronde twijfel is gerezen aan een juiste gang van zaken, onder meer over de rol van de voorzitter van de RvC, de vereniging en de andere grootaandeelhouder. Op grond van een belangenafweging wordt het verzoek toch afgewezen, omdat de betrokkenen zelf stappen hebben gezet om de verhoudingen te normaliseren. De OK overweegt daarbij onder meer over het vennootschapsbelang, de redelijkheid en billijkheid en tegenstrijdig belang.
Kernoverwegingen
“Bij de beoordeling stelt de Ondernemingskamer voorop dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming door middel van duurzame lange termijn waardecreatie. In geval van vennootschap als ITA wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de [de aandeelhouder A] en DDV overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband kunnen meebrengen dat (ook) het belang van de vennootschap is gebaat bij continuering van de bestaande verhoudingen tussen de aandeelhouders.”
r.o. 4.7
“In deze constellatie, waarin een grote verwevenheid tussen partijen bestaat en waarbij de belangen gedeeltelijk parallel lopen, gedeeltelijk botsen en waarin een scheiding der wegen niet goed mogelijk lijkt, worden ingevolge art. 2:8 BW hoge eisen gesteld aan de onderlinge samenwerking. Dat geldt voor alle betrokkenen. De beide bestuurders dienen onder ogen te zien dat het belang van ITA mede wordt bepaald door het belang van DDV om op voldoende buiten- en binnenbanen te kunnen blijven tennissen, ook als dat tot op zekere hoogte ten koste gaat van de winstgevendheid. Verder kan ITA een goede verstandhouding met haar huurder/aandeelhouder tot haar belang rekenen. DDV zal op haar beurt moeten erkennen dat het Frans Otten Stadion zich zal moeten aanpassen aan een veranderende vraag in de markt. Met het toelaten van padel-leden tot haar vereniging doet DDV dat zelf ook. Verder zal DDV zich moeten realiseren dat haar betoog dat het bij ITA niet alleen dient te gaan om het geld, op gespannen voet staat met haar eigen wensen: onverminderde baantoegang tegen lage prijzen, goed onderhoud van het complex én dividenduitkeringen. Bij dit alles vergen de eisen van redelijkheid en billijkheid dat ook DDV haar bijdrage levert aan werkbare verhoudingen met ITA. De Ondernemingskamer constateert dat ook de kleine externe aandeelhouders forse kritiek hebben op de wijze waarop DDV invulling geeft aan haar aandeelhouderschap.”
r.o. 4.9
“In dit geval acht de Ondernemingskamer gegronde redenen aanwezig voor twijfel aan een juiste gang van zaken bij ITA. Die twijfel is in drie opzichten gerezen: a. Hoewel [het RvC lid C] [de RvC voorzitter] eerst telefonisch en later (mede namens [het RvC lid D] ) schriftelijk berichtte over het gebrekkige vertrouwen binnen de RvC en daarin op indringende wijze uiting gaf aan zijn gevoelen onvoldoende binnen de RvC te worden gehoord, heeft [de RvC voorzitter] daarop niet geacteerd (3.9 en 3.12). Gelet op de indringende boodschap van het memo bestond er alle aanleiding voor bezinning op het eigen functioneren van de RvC. Gevolg van deze passiviteit – [de RvC voorzitter] schaarde zich veeleer in het ‘kamp’ van de andere commissarissen – was dat de verhoudingen verder op de spits werden gedreven, uitmondend in de brandbrief van 2 november 2025. Dat [de RvC voorzitter] vervolgens [het RvC lid C] en [het RvC lid D] voordroeg voor ontslag, roept vragen op over zijn taakopvatting als voorzitter van de RvC. Aan het voorgaande doet niet af dat [de RvC voorzitter] een (vergeefse) poging heeft ondernomen in gesprek te komen met DDV om de verstandhouding tussen DDV en ITA te verbeteren (3.10). b. Ook de handelwijze van DDV roept vragen op. Zo rijst de vraag of haar formalistische opstelling en hardlijnige wijze van communiceren – vaak in lange en nodeloos juridisch getoonzette e-mails – heeft bijgedragen aan een goede verstandhouding met [de familie] . DDV lijkt de – door ITA krachtig […]”
r.o. 4.11