Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 21 juli 2026
Enquêteverzoek: intrekking na zitting is vermindering van verzoek, niet-ontvankelijkheid
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een aandeelhouder verzocht de Ondernemingskamer een enquête te bevelen bij een besloten vennootschap en onmiddellijke voorzieningen te treffen, maar wilde dit verzoek na de zitting intrekken. De vennootschap en de bestuurder verzetten zich daartegen. De Ondernemingskamer beschouwt de intrekking als vermindering van het verzoek, waartoe de verzoeker op grond van artikel 283 Rv tot de eindbeschikking steeds bevoegd is, ook na een voorlopig oordeel tot afwijzing. De verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard en in de proceskosten veroordeeld.
Kernoverweging
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De Ondernemingskamer begrijpt de mededeling van [broer] dat hij zijn verzoek wil intrekken aldus dat hij niet langer verzoekt een enquête bij Investpharma te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen en dat hij zijn verzoek in zoverre wenst te verminderen. Nu de Ondernemingskamer nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is [broer] op de voet van artikel 283 Rv steeds bevoegd het verzoek te verminderen, ongeacht eventuele bezwaren van Investpharma en/of [zus] . Dat de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling als voorlopig oordeel heeft uitgesproken dat het verzoek zal worden afgewezen, maakt dat niet anders. De vermindering van het verzoek betekent dat [broer] geen voldoende belang meer heeft bij een beoordeling van zijn verzoek en hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.”
r.o. 2.3