← Week 33

Gerechtshof Amsterdam · 28 juli 2026

Geen dwangsomveroordeling tot naleving juridisch kader van bestuur en besluitvorming

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Twee medebestuurders/aandeelhouders van een apotheekvennootschap vorderen in kort geding dat de overige bestuurders/aandeelhouders het juridisch kader van bestuur en besluitvorming naleven, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter wijst dit toe, mede onder verwijzing naar artikel 2:8 BW. Het hof vernietigt dit: de oude werkwijze berustte op onderling vertrouwen dat is aangetast, het kader was niet eenduidig en een concrete dreiging van schending ontbrak. Het hof wijst de vordering en de herhaalde vordering in hoger beroep af.

Kernoverwegingen

“Uit het vorenstaande volgt dat voortzetting van de wijze waarop het bestuur en de besluitvorming van ZHL sinds 2016 verliep, vanaf april 2024 niet goed mogelijk was. De wijze waarop dat voorheen verliep, ging uit van onderling vertrouwen en goede verhoudingen en die hebben te lijden gehad onder het conflict met Novaborch. Dat betekent dat een nieuwe werkwijze moest worden gezocht, met inachtneming van het vigerende juridisch kader van ZHL en in het licht van artikel 2:8 BW. Reeds deze constatering leidt ertoe dat de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling (zie 4.2) niet in stand kan blijven.”

r.o. 5.5

“Het hof is van oordeel dat er ten tijde van het bestreden vonnis onvoldoende grond was op voorhand aan te nemen dat het risico dat [appellanten] zich niet aan deze verplichting zou houden zodanig dreigde dat dat een veroordeling met daaraan gekoppelde dwangsom rechtvaardigde. In het vonnis zijn ook geen voorbeelden genoemd van evidente schendingen daarvan. In het conflict met Novaborch heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [appellanten] het gelijk aan hun zijde hadden. Daarbij komt dat de precieze inhoud van deze verplichting, in het licht van de werkwijze in het verleden, op dat moment nog wat diffuus moet zijn geweest. Dit geldt te meer nu de artikelen 1.1 en 1.2 van de aandeelhoudersovereenkomst vraagtekens oproepen, zoals [appellanten] aanvoeren. Zij hebben in dat verband nog verwezen naar een brief van de advocaat van [geïntimeerden] . van 26 augustus 2025 (productie 42) waarin de redactie van de artikelen 1.1 en 1.2 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaald onduidelijk wordt genoemd. Het ‘vigerende juridisch kader’ kende derhalve vaagheden en onduidelijkheden, waardoor in redelijkheid verschil van mening mogelijk was waartoe dit kader in een concrete situatie verplichtte. Ook dit maakt dat een veroordeling met dwangsom niet was aangewezen.”

r.o. 5.8

“De situatie is inmiddels in die zin gewijzigd dat thans alleen [appellanten] het bestuurderschap van ZLH uitoefenen. Dat zij zich in die hoedanigheid te weinig gelegen laten liggen aan de verplichtingen die zij op grond van de wet, de statuten en de (aan de hand van de Haviltex-norm uit te leggen) aandeelhoudersovereenkomst hebben jegens [geïntimeerden] . en Novaborch is onvoldoende aannemelijk geworden. Novaborch heeft in dat verband gewezen op de bezwaren die in de procedure bij de Ondernemingskamer naar voren zijn gebracht. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 11 februari 2026 inmiddels echter geoordeeld dat in het bestuurlijk handelen van [appellanten] geen gegronde redenen zijn gelegen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van ZLH te twijfelen. [geïntimeerden] . hebben er bij de mondelinge behandeling op gewezen dat de sleutel waarlangs de Ondernemingskamer de handelswijze van [appellanten] heeft beoordeeld een andere is dan beoordeling van de vraag of deze handelwijze past binnen het vigerende juridisch kader. Dit is op zich juist, maar dat dit handelen er thans toe dient te leiden dat [appellanten] op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld het vigerende juridisch kader van ZLH na te leven hebben [geïntimeerde] c.s. in het licht van wat is overwogen in de beschikking van de Ondernemingskamer onvoldoende nader toegelicht. Duidelijk is dat partijen op onderdelen van mening verschillen over wat het vigerende juridisch kader […]”

r.o. 5.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2110
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW
Thema
Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 33 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.