Gerechtshof Amsterdam · 28 juli 2026
Faillietverklaring ontbonden vennootschap; vordering ex artikel 2:248 BW als potentiële bate
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een schuldeiser verzoekt het faillissement van een ontbonden vennootschap, nadat de rechtbank dit had afgewezen bij gebrek aan een bate. Het hof oordeelt dat een mogelijke vordering van de curator op de bestuurder op grond van artikel 2:248 BW, gelet op het niet deponeren van jaarrekeningen sinds de oprichting, een potentiële bate vormt. Het gebrek aan transparantie rond de liquidatie rechtvaardigt een curatorsonderzoek. Het hof vernietigt de beschikking en verklaart de vennootschap alsnog failliet.
Kernoverwegingen
“Het hof stelt voorop dat het faillissement van een ontbonden rechtspersoon kan worden uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Zie Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631, NJ 1995/579 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:593. De rechtspersoon wordt dan geacht ter afwikkeling van het faillissement te blijven bestaan. Dit houdt in dat de faillietverklaring van UBC kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van de door Carelease gestelde bate, van een ten tijde van de aanvraag bestaand vorderingsrecht van Carelease en van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat UBC verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de (opeisbare) vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een (opeisbare) vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.”
r.o. 2.5
“Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog een bate is. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat UBC sinds haar oprichting geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd en daarmee de publicatieplicht van artikel 2:394 BW heeft geschonden. Ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW betekent deze schending dat het bestuur van de vennootschap zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Behoudens tegenbewijs is de bestuurder in dat geval aansprakelijk voor het boedeltekort. Reeds hierom valt niet uit te sluiten dat een curator een mogelijke (kansrijke) vordering op grond van artikel 2:248 BW jegens Uiterloo zal kunnen instellen. In dit kader merkt het hof op dat een vordering op grond van artikel 2:248 BW - hoewel deze vordering dogmatisch gezien van de gezamenlijke schuldeisers (de boedel) is en niet van de vennootschap - mede gelet op de toegelaten ruime uitleg van het begrip ‘bate’ en ook op het belang van het voorkomen van misbruik van de ‘turbo-liquidatie’, als (potentiële) bate in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW kan worden gezien. Ook de advocaat van UBC heeft dit ter zitting in hoger beroep erkend. Anders dan de rechtbank kan niet worden geoordeeld dat op voorhand vaststaat dat een aan te stellen curator al zijn werkzaamheden voor […]”
r.o. 2.6
“Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat UBC, opgericht in 2018, - naar zeggen van haar advocaat - inmiddels ruim een jaar betrokken is bij een strafrechtelijk onderzoek naar omzetbelastingfraude waarvan de feiten teruggaan tot 2019. Hoewel de uitkomst daarvan op dit moment nog onzeker is, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat het een omvangrijke fraudezaak betreft met meerdere verdachten. Ook deze omstandigheid vormt aanleiding voor de aanstelling van een curator die - al dan niet in samenwerking met de opsporingsinstanties - onderzoek kan verrichten naar de gang van zaken binnen de vennootschap en naar de eventuele aanwezigheid van vermogensbestanddelen en verhaalsmogelijkheden ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.”
r.o. 2.7