Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 2 september 2026
Enquête: verhoging onderzoeksbudget en gedeeltelijke aanhouding van het verzoek
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een enquêteprocedure naar twee gefailleerde vennootschappen verzoekt de onderzoeker de OK om verhoging van het onderzoeksbudget. De OK wijst het verzoek toe voor de werkzaamheden die tot 31 juli 2026 zijn verricht, stelt het maximale budget vast op € 333.426,54 en bepaalt dat de curator een voorschot betaalt. Een integrale beoordeling volgt pas bij de vaststelling van de definitieve onderzoekskosten. Het verzoek voor de latere werkzaamheden houdt de OK aan.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer zal het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget gedeeltelijk aanhouden voor zover dit ziet op de werkzaamheden na 31 juli 2026. Zij volgt Imeba c.s. niet in hun standpunt dat het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget op dit moment integraal moet worden beoordeeld. Die gelegenheid tot integrale beoordeling van de onderzoekskosten hebben partijen bij het vaststellen van de definitieve onderzoekskosten na afronding van het onderzoek (zie 4.5 Leidraad voor onderzoeker in enquêteprocedures).”
r.o. 2.1
“De onderzoeker heeft een urenspecificatie van de al uitgevoerde werkzaamheden overgelegd bij het indienen van haar verzoek. De Ondernemingskamer kan de kritische kanttekening van de curator op de specificatie en omschrijving van het urenoverzicht van de onderzoeker wel plaatsen. De omschrijving bij een aantal regels is vrij summier in verhouding tot de daarmee gemoeide tijd. In de beschikking van de Ondernemingskamer van 13 januari 2026 (zie randnummer 2.4) heeft de Ondernemingskamer hier ook aandacht voor gevraagd. De Ondernemingskamer verzoekt de onderzoeker nogmaals om haar urenverantwoording voldoende duidelijk en controleerbaar te maken.”
r.o. 2.2
“Het voorgaande neemt niet weg dat de onderzoeker in haar verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget ook een toelichting heeft gegeven op de al uitgevoerde werkzaamheden. Met die toelichting en de urenspecificatie heeft zij in dit geval voldoende toegelicht welke werkzaamheden zijn verricht tot 31 juli 2026. Er zijn ook geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd tegen dat gedeelte van de verzochte verhoging van de kosten van de onderzoeker en het verzoek van de onderzoeker om de curator de verhoging als voorschot te laten voldoen. De bestede tijd en de daaraan verbonden kosten komen de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. Daarbij betrekt de Ondernemingskamer de omstandigheid dat de onderzoeker op eigen initiatief een bedrag van € 40.000 niet in rekening brengt. Weliswaar was het juister geweest als de onderzoeker voorafgaand aan de overschrijding van het onderzoeksbudget om een verhoging had gevraagd, maar dit doet niets af aan de redelijkheid van de al uitgevoerde en nog uit te voeren werkzaamheden van de onderzoeker. De Ondernemingskamer zal daarom het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vaststellen op € 333.426,54 exclusief omzetbelasting, kantoorkosten en verschotten. Verder zal de Ondernemingskamer bepalen dat de curator bij wijze van voorschot een bedrag van € 71.558,09 aan de onderzoeker moet betalen.”
r.o. 2.3