Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 februari 2026
Uittreding certificaathouders uit houdster: OK bevoegd, uittreding toegewezen, deskundige benoemd
- Geschillenregeling
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee certificaathouders, voormalige bestuurders van een houdstermaatschappij, verzoeken uittreding op grond van artikel 2:343 BW. De OK oordeelt dat de administratievoorwaarden geen afnameplicht en dus geen eigen regeling bevatten, waardoor zij bevoegd is. Zij wijst de uittreding toe vanwege het grensoverschrijdende gedrag van de indirect aandeelhouder, de ongelijke behandeling bij dividend en een onderbouwde claim ontbrekende aansprakelijkheidsclaim. Zij benoemt een deskundige om de certificaten te waarderen en houdt de beslissing over een billijke verhoging aan.
Kernoverwegingen
“Het betoog van Enora c.s. slaagt niet. Op een in statuten of overeenkomst opgenomen bepaling die afwijkt van de wettelijke geschillenregeling als bedoeld in artikel 2:337 lid 1 BW kan uitsluitend een beroep worden gedaan, voor zover die afwijkende bepaling de overdracht van (in dit geval: certificaten van) aandelen niet onmogelijk of uiterst bezwaarlijk maakt. Dit brengt mee dat voor een geslaagd beroep op een eigen regeling nodig is dat de toepassing daarvan ook tot een daadwerkelijke overdracht van de certificaten zal leiden (vgl. o.a. OK 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2665). Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit artikel 6.3 van de administratievoorwaarden volgt weliswaar dat de certificaathouders geacht worden hun certificaten te hebben aangeboden, maar uit de administratievoorwaarden volgt niet met voldoende duidelijkheid dat de aangeboden certificaten moeten worden afgenomen. Wat PDM betreft, ligt dit reeds besloten in artikel 6.3 van de administratievoorwaarden (3.8). Wat Enora betreft, valt uit de administratievoorwaarden niet met voldoende duidelijkheid af te leiden dat zij tot afname gehouden is indien PDM de certificaten niet wenst af te nemen. Artikel 7 van de administratievoorwaarden laat de lezing toe dat het Enora vrij staat de certificaten na waardering toch niet af te nemen. Artikel 7.8 ziet in die lezing uitsluitend op het geval waarin Enora na waardering vrijwillig besluit in te gaan op het aanbod. Een andersluidende uitleg waarin wel een […]”
r.o. 4.3
“Het voorgaande voert de Ondernemingskamer tot het oordeel dat in de administratievoorwaarden geen afnameplicht voor (PDM en) Enora besloten ligt. Dit brengt mee dat toepassing van de administratievoorwaarden niet tot een daadwerkelijke overdracht van de certificaten behoeft te leiden. Daarmee zijn partijen geen eigen regeling als bedoeld in artikel 2:337 lid 1 BW overeengekomen. Dit betekent dat de Ondernemingskamer bevoegd is kennis te nemen van het verzoek tot uittreding.
Inhoudelijke beoordeling
Het verzoek tot uittreding”
r.o. 4.4
“De eerste grond betreft het gedrag van [de uiteindelijke aandeelhouder] vanaf 12 juli 2023. Nadat hij zich enkele jaren als passief aandeelhouder had opgesteld, heeft [de uiteindelijke aandeelhouder] zich vanaf die datum weer intensief met Enora en BMG ingelaten. [de uiteindelijke aandeelhouder] bestookte de certificaathouders, werknemers en externe adviseurs met e-mails en WhatsApp-berichten die geregeld werden verzonden op ontijdige momenten: midden in de nacht of vroege ochtend, al dan niet in het weekend. De bevelen van [de uiteindelijke aandeelhouder] hadden soms weinig te maken met de onderneming (3.14), waren uiterst dwingend en respectloos, soms ronduit schofferend en gingen regelmatig de fatsoensgrenzen te buiten (3.11, 3.13, 3.14, 3.16, 3.17, 3.18, 3.21, 3.22). Bij dit alles miskende [de uiteindelijke aandeelhouder] ook zijn eigen positie binnen Enora: hij was geen bestuurder maar (indirect) aandeelhouder – die zich bovendien jarenlang afzijdig had gehouden. Dat belette hem niet vanaf 12 juli 2023 allerhande instructies te geven, niet alleen aan de certificaathouders en bestuurders van BMG, maar ook rechtstreeks aan werknemers en externe adviseurs. Met zijn gedragingen handelde hij in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die hij als (indirect) aandeelhouder in acht moest nemen en negeerde hij de vennootschapsrechtelijke verdeling van bevoegdheden volkomen. De Ondernemingskamer acht het dan ook alleszins begrijpelijk dat de certificaathouders hun […]”
r.o. 4.8.1