Gerechtshof Amsterdam · 3 maart 2026
Aansprakelijkheid commissarissen jegens investeerder bij cessie van winstdelende lening afgewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een investeerder droeg haar achtergestelde winstdelende lening over aan kopers en vorderde vernietiging van de cessie wegens dwaling of bedrog, subsidiair schadevergoeding van de commissarissen van de vennootschap. Het hof oordeelt dat geen sprake was van informatie-asymmetrie of dwaling. Een adviesplicht van de commissaris jegens de investeerder volgt niet uit zijn positie als commissaris, ook niet nu hij namens de investeerders was benoemd, en een voldoende ernstig persoonlijk verwijt ontbreekt. Het hof bekrachtigt de afwijzing.
Kernoverwegingen
“Het verwijt van [appellant] aan [geïntimeerde 3] komt neer op de stelling dat op [geïntimeerde 3] , als commissaris, de plicht rustte om [naam 1] te adviseren over een mogelijke andere berekening van de koopprijs. Voor het bestaan van die plicht is onvoldoende gesteld, nog daargelaten de vraag of een dergelijk advies zou hebben geleid tot overeenstemming met de kopers of derden over een hogere koopprijs. Die plicht volgt in elk geval niet uit [geïntimeerde 3] positie van commissaris van [bedrijf 1] , ook niet in het licht van het feit dat [geïntimeerde 3] namens de investeerders is aangesteld. Die plicht kan evenmin worden gebaseerd op de persoonlijke relatie van [geïntimeerde 3] met [naam 1] . Daar komt bij dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] aan [geïntimeerde 3] heeft gevraagd of zijn berekening een reële actuele marktwaarde van de investering weerspiegelde. Dit volgt niet uit de e-mail van 12 juni 2020 van [naam 1] , waarin immers een berekening is vervat die is gebaseerd op de IRR per einde 2018, die – ook in de visie van [appellant] – de grondslag diende te zijn voor de te berekenen koopprijs.”
r.o. 6.15
“Aldus is onvoldoende gesteld voor de conclusie dat [geïntimeerde 3] enige op hem als commissaris jegens [appellant] rustende verplichting zou hebben geschonden, laat staan voor de conclusie dat hem daarvan een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Reeds daarop stuiten de vorderingen tegen [geïntimeerde 3] af.”
r.o. 6.16
“Tegen de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot afwijzing van de vorderingen tegen de commissarissen [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 5] zijn geen grieven gericht, zodat het hoger beroep tegen deze afwijzing eveneens faalt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod”
r.o. 6.17