Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 11 maart 2026
Enquête: gedeeltelijke verhoging onderzoeksbudget en afwijzing verlaging
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een lopende enquêteprocedure vraagt een bestuurder-aandeelhouder om verlaging van het onderzoeksbudget, terwijl de onderzoeker om verhoging vraagt. De OK wijst de verlaging af, omdat die berust op een onjuiste grondslag over de reikwijdte van de onderzoeksperiode. Zij verhoogt het budget met € 15.000 tot € 90.000 exclusief btw, mede vanwege extra werkzaamheden door recente verzoeken in de procedure.
Kernoverwegingen
“Wat betreft de reikwijdte van het onderzoek heeft de raadsheer-commissaris in zijn beslissing van 9 maart 2026 de door [aandeelhouder B] verzochte aanwijzing om het onderzoek te beperken tot het moment van de mondelinge behandeling afgewezen. De raadsheer-commissaris heeft geoordeeld dat de onderzoeksperiode weliswaar loopt tot de datum van de mondelinge behandeling, maar heeft daaraan drie nuanceringen toegevoegd die kunnen meebrengen dat ook latere feiten en omstandigheden in het onderzoek worden betrokken. Het verzoek tot verlaging van het onderzoeksbudget is daarmee gebaseerd op een onjuiste grondslag en zal dan ook worden afgewezen.”
r.o. 2.2
“De Onderzoeker heeft aan haar (tweede) verzoek tot (tussentijdse) verhoging van het onderzoeksbudget samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Gelet op de weinig meewerkende houding van [aandeelhouder B] tot nu toe houdt de nderzoeker er rekening mee, dat onder andere de verwerking van diens reactie op het concept-onderzoeksverslag in het eindrapport meer tijd zal kosten dan aanvankelijk begroot. De Onderzoeker verzoekt het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten daarom te verhogen met € 25.000 (exclusief btw).”
r.o. 2.3
“In de beschikking van 3 september 2025 heeft de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget verhoogd tot € 75.000 en overwogen dat zij gelet op de huidige stand van het onderzoek ervan uitgaat dat het bij dit (tussentijdse) verzoek tot verhoging zal blijven. Nadien zijn namens [aandeelhouder B] verzoeken (aan de raadsheer-commissaris) gedaan die ook hebben geleid tot zelfstandige (tegen)verzoeken (aan de raadsheer-commissaris) van de Onderzoeker, waaraan door de Onderzoeker ook weer tijd en kosten moeten worden besteed. Gelet op deze recente ontwikkelingen acht de Ondernemingskamer het niet onaannemelijk dat dit samen met de ‘afrondende’ werkzaamheden van de Onderzoeker meer tijd in beslag zal nemen dan aanvankelijk begroot. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Onderzoeker toewijzen in die zin dat zij de hoogte van het onderzoeksbudget zal verhogen met een bedrag van € 15.000.”
r.o. 2.4