← Week 12

Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 19 maart 2026

Enquête: afwijzing nadere onmiddellijke voorziening voor financiering cassatieberoep door ledenparlement

  • Enquêterecht
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

In een enquêteprocedure over een vakbondsvereniging verzocht een (inmiddels opgeheven) ledenparlement om een onmiddellijke voorziening waarmee het bestuur zou worden verplicht de kosten van cassatieadvies en een eventueel cassatieberoep tegen een eerdere voorziening te financieren. De OK wijst het verzoek af, omdat geen noodzaak bestaat en het bestuur zijn weigering goed heeft kunnen afwegen in het belang van de vereniging. Die afweging is niet kennelijk onjuist en niet in strijd met artikel 2:8 BW.

Kernoverwegingen

“Daarbij geldt dat de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:349a lid 2 BW in elke stand van het geding onmiddellijke voorzieningen kan treffen, indien deze, gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, vereist zijn in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de Ondernemingskamer op die grondslag iedere voorziening van voorlopige aard treffen, mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1652, Novero).”

r.o. 3.9

“De Ondernemingskamer is met het interim-bestuur, FNV Personeel c.s., de OK-functionarissen, de sectorraden en de ondernemingsraad van oordeel dat geen noodzaak bestaat om de door het ledenparlement verzochte onmiddellijke voorzieningen te treffen. Daarbij is van belang dat er geen wettelijke of statutaire regel bestaat op grond waarvan FNV of het interim-bestuur verplicht is om het ledenparlement financieel in de gelegenheid te stellen cassatieberoep in te stellen. Dat het interim-bestuur aan het ledenparlement een daartoe strekkende toezegging heeft gedaan is niet (in de vereiste concrete zin) gesteld of gebleken. Het is onder die omstandigheden aan het interim-bestuur om te beoordelen of het in het belang van FNV is om het ledenparlement in staat te stellen cassatieadvies in te winnen en eventueel cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025 en de daarmee gemoeide kosten te voldoen. Het interim-bestuur heeft die afweging gemaakt en is tot de slotsom gekomen dat FNV nu het meest gebaat is bij beëindiging van de onrust en onzekerheid die de enquêteprocedure voor de vereniging en alle daaraan verbonden belanghebbenden heeft meegebracht, en dat het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van 30 december 2025 daarom niet in het belang van FNV is. Die afweging is goed te volgen en de Ondernemingskamer acht deze beslissing van het bestuur ook niet kennelijk onjuist of strijdig met de op grond van artikel 2:8 BW door het interim-bestuur jegens […]”

r.o. 3.10

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:743
Instantie
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
19 maart 2026
Datum publicatie
19 maart 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:349a BW, 2:8 BW
Thema
Enquêterecht, Vereniging, stichting en coöperatie
Weekoverzicht
Week 12 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.