← Week 13

Gerechtshof Amsterdam · 17 februari 2026

Faillietverklaring bestuurder bekrachtigd; summierlijk vastgestelde vordering uit artikel 2:248 BW telt mee voor pluraliteit

  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een bestuurder die zich persoonlijk als medeschuldenaar had verbonden, is in hoger beroep failliet verklaard gebleven. Bij de beoordeling van de pluraliteit van schuldeisers neemt het hof mee dat de curator van de failliete vennootschap summierlijk een vordering heeft op grond van artikel 2:248 BW. De bestuurder heeft het vermoeden van ernstig verwijt wegens het niet voldoen aan administratie- en publicatieverplichtingen niet weerlegd. Het uitblijven van vergunningen is volgens het hof normaal ondernemersrisico.

Kernoverwegingen

“Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de (opeisbare) vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een (opeisbare) vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.”

r.o. 2.6

“Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is summierlijk gebleken dat Bidfood, die de aanvraag tot faillietverklaring heeft gedaan, een opeisbare vordering heeft op [appellant] . Op 12 juli 2021 is tussen Bidfood en [bedrijf 1] een overeenkomst van geldlening gesloten waarvoor [appellant] zich ten behoeve van [bedrijf 1] als medeschuldenaar heeft verbonden. De lening is door het faillissement van [bedrijf 1] opeisbaar geworden (artikel 8.1.3 van de geldleningsovereenkomst) en is tot op heden niet volledig terugbetaald. Daarmee staat de vordering van Bidfood voldoende vast. Daarnaast is gebleken dat het Ministerie SZW een vordering op [appellant] heeft op grond van een boetebeschikking van 4 oktober 2010. Namens [appellant] is betoogd dat die vordering verjaard zou zijn, maar de advocaat van Bidfood heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken toegelicht dat uit door hem overgelegde deurwaardersexploten blijkt dat de verjaring steeds tijdig is gestuit. De omstandigheid dat de incassopogingen zijn gestaakt en het dossier is gesloten, betekent niet dat de vordering niet langer bestaat. Ten aanzien van de vordering die de curator van [bedrijf 1] , [naam] , heeft ingediend, is het hof gebleken dat het gaat om een bestuurdersaansprakelijkstelling van [appellant] op de voet van artikel 2:248 BW omdat zijn onderneming [bedrijf 1] niet aan haar administratie- en boekhoudverplichting heeft voldaan en evenmin aan haar verplichting jaarrekeningen te laten […]”

r.o. 2.7

“Het voorgaande betekent dat ook in hoger beroep is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.”

r.o. 2.8

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:834
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
17 februari 2026
Datum publicatie
27 maart 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarrekening
Aangesproken
bestuurder
Weekoverzicht
Week 13 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.