← Week 24

Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 8 april 2026

Enquête bevolen bij failliete houdstervennootschap; feitelijk beleidsbepaler en onduidelijk verlies investeringen

  • Enquêterecht
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een 10%-aandeelhouder van een inmiddels failliete houdstervennootschap verzoekt de OK om een enquête, omdat leningen van investeerders van meer dan € 41 miljoen verloren zijn gegaan zonder opheldering. De OK wijst het verzoek toe. Zij oordeelt dat de aandeelhouder ontvankelijk is, dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen en dat de belangenafweging, mede gelet op het beperkte budget van de curator, niet in de weg staat aan een onderzoek. Het onderzoek omvat ook het beleid ten aanzien van de Duitse dochtervennootschappen.

Kernoverwegingen

“Van een overdracht van aandelen aan Optiverder is dus geen sprake geweest. De aandelen zijn door DBMC aan Optiverder uitgegeven. Het bepaalde in artikel 3:84 lid 3 BW is van toepassing op een overdracht van aandelen, maar niet op een uitgifte van aandelen. Het betoog van [certificaathouder] dat Optiallerverst haar aandelen heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde faalt daarmee, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid van Optiallerverst niet opgaat. De stelling van [certificaathouder] dat Optiverder en later Optiallerverst geen interesse hebben getoond in de gang van zaken bij DBMC zolang de leningen maar werden voldaan, kan – ook indien juist – geen afbreuk doen aan de ontvankelijkheid van Optiallerverst. Dat de drijfveer van Optiallerverst om gebruik te maken van haar enquêtebevoegdheid mogelijk mede gelegen is haar wens om voor de belangen van aan haar gelieerde schuldeisers op te komen, levert geen misbruik van die bevoegdheid op en staat niet in de weg aan haar ontvankelijkheid.

Gegronde redenen”

r.o. 4.7

“Er kunnen veel vraagtekens worden geplaatst bij het beleid dat DBMC heeft gevoerd ten aanzien van haar dochtervennootschappen. In korte tijd zijn aanzienlijke verliezen ontstaan. Ogenschijnlijk plotseling en onverwacht bleek in de loop van 2023 aanvullende bouwfinanciering nodig om het Project af te kunnen ronden. Er zijn serieuze aanwijzingen dat de verliezen en de noodzaak van aanvullende financiering (mede) te wijten zijn aan een aanzienlijke en voor DBMC voorzienbare overschrijding van de geprognosticeerde bouwkosten (zie 3.20 en 3.21). Een rol kan ook hebben gespeeld dat, naar [certificaathouder] in zijn verweerschrift heeft bevestigd, de administratie bij de Duitse dochtervennootschappen niet op orde was. Verder rijzen er vragen over de betalingen die Schillerquartier in 2021 en 2022 heeft verricht aan [certificaathouder] en aan hem gelieerde (rechts)personen tot een totaalbedrag van € 2,3 miljoen en, zij het in mindere mate, over de betaling van Schillerquartier aan [enig bestuurder van Mavet] van € 1 miljoen. [enig bestuurder van Mavet] heeft toegelicht wat de achtergrond van de betaling aan hem is geweest: het was een vooraf overeengekomen terugbetaling van een kortlopende brugfinanciering totdat HiH haar eerste betaling zou doen; de terugbetaling is gedaan uit de van HiH in oktober 2022 ontvangen koopsom. [certificaathouder] heeft nagelaten een toelichting gegeven op de betalingen aan hem, zijn schoonvader en enkele met [certificaathouder] bevriende […]”

r.o. 4.12

“Daarnaast zijn er sterke aanwijzingen dat [certificaathouder] in ieder geval feitelijk het beleid van DBMC mede bepaalde in de periode tot oktober 2023, toen [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] nog niet ziek was. Hij bekleedde weliswaar niet een vennootschappelijke rol bij DBMC en haar dochtervennootschappen, maar het lijkt erop dat hij het beleid bij DBMC (mede ten aanzien van haar dochtervennootschappen) ten minste mede vorm gaf. Daarop wijst:

de considerans van de overeenkomst van opdracht tussen DBMC en (de vennootschap van) [certificaathouder] (zie 3.5); de hoogte van de vaste maandelijkse minimum-fee van [certificaathouder] ( [certificaathouder] heeft niet weersproken dat die het dubbele bedroeg van de fee van formele bestuurder [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] ); de eigen stelling van [certificaathouder] dat zijn beslissing om niet (de uitvoerend) bestuurder van DBMC te worden verband hield met destijds nog lopende procedure in Luxemburg; de omstandigheid dat [enig bestuurder en aandeelhouder van MTS] voor de oprichting van DBMC de rechterhand en vertrouwenspersoon van [certificaathouder] was in diens rol van bestuurder van het vergelijkbare bedrijf Multiplan; de in 3.20 tot en met 3.22 vermelde verklaringen van Van Loo en [enig bestuurder van Mavet] ; de notulen van de vergaderingen van de raad van advies, waarin de naam van [certificaathouder] staat vermeld onder de aanwezigen namens DBMC respectievelijk onder “Senior Management Team van DBMC”; dat […]”

r.o. 4.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:948
Instantie
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
8 april 2026
Datum publicatie
8 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:350 BW, 3:84 BW
Thema
Enquêterecht, Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.