Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 februari 2026
Faillissementsaanvraag afgewezen; tegenstrijdig belang bij cessie raakt vertegenwoordigingsbevoegdheid niet
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap die een vordering had verkregen door cessie, verzocht om faillietverklaring van een natuurlijke persoon; de rechtbank wees dit af. De schuldenaar stelde dat de cessie nietig was wegens een tegenstrijdig belang van de indirect bestuurder. Het hof oordeelt dat een gebrek in zo'n besluit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aantast (artikel 2:239 lid 6 BW). Het hof bekrachtigt de afwijzing, omdat niet aannemelijk is dat de schuldenaar is opgehouden te betalen.
Kernoverwegingen
“Volgens [geïntimeerde] is de [indirect bestuurder] zowel indirect bestuurder van Publishers als van Jongejan Vastgoed en houdt hij 201 van de 400 aandelen in het kapitaal van Publishers. De cessie van de vordering van Publishers op Jongejan Vastgoed is volgens [geïntimeerde] ingegeven om Publishers gereed te maken voor ontbinding, hetgeen strijdig is met het belang van Publishers. Als (indirect) bestuurder van zowel cessionaris als de cedent, had [indirect bestuurder] een persoonlijk tegenstrijdig belang bij de cessie en had hij zich dienen te onthouden van besluitvorming, aldus [geïntimeerde] . De algemene vergadering van aandeelhouders had dit besluit dienen te nemen. Volgens [geïntimeerde] is het besluit tot cessie nietig, waardoor er een geldige titel voor de overdracht ontbreekt en de cessie aldus niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.”
r.o. 3.6
“Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. Wat er ook zij van de geldigheid van het besluit, een gebrek daarin tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. Het niet naleven van het in artikel 2:239 lid 6 BW opgenomen verbod heeft daarom (in beginsel) geen gevolgen voor de binding van de vennootschap aan de transactie. Dat hier sprake is van een situatie waarin een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt waar ook [geïntimeerde] een beroep op zou kunnen doen, is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd.
- De toestand van te hebben opgehouden te betalen”
r.o. 3.7