Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 24 maart 2026
Schorsing stichtingsbestuurder als voorlopige voorziening tijdens ontslagprocedure ex artikel 2:298 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee zussen zijn samen bestuurder van twee familiestichtingen. De ene zus verzoekt de rechtbank de andere als bestuurder te ontslaan, en de rechtbank schorst die bestuurder tijdelijk tijdens een bevolen onderzoek. Het hof bekrachtigt de schorsing op grond van artikel 2:298 lid 2 BW: er is gerechtvaardigde vrees voor taakverwaarlozing en voor andere gewichtige redenen, waaronder een onwerkbare situatie. Het incidenteel hoger beroep over het ontslagverzoek zelf is niet-ontvankelijk, omdat geen toestemming voor tussentijds hoger beroep is verleend.
Kernoverwegingen
“Op grond van artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan tegen een tussenbeschikking slechts hoger beroep worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen een eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. In artikel 337 lid 1 Rv is een uitzondering op deze hoofdregel opgenomen. In dit artikel is namelijk bepaald dat hoger beroep tussentijds kan worden ingesteld van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen voordat het eindvonnis is gewezen (ook wel provisioneel vonnis genoemd). De Hoge Raad heeft beslist dat artikel 337 lid 1 Rv ook van toepassing is op de verzoekschriftenprocedure. Als hoger beroep wordt ingesteld tegen een provisionele uitspraak, mag dat hoger beroep niet ook eventuele andere, niet-provisionele delen daarvan omvatten. Voor beroep daartegen moet, omdat het een tussentijds hoger beroep betreft, volgens de hoofdregel toestemming worden verzocht.
Ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep van [verzoekster]”
r.o. 3.11
“Op grond van artikel 2:298 lid 1 BW kan een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank worden ontslagen op grond van onder andere (a) verwaarlozing van zijn taak of (b) andere gewichtige redenen. Onder taakverwaarlozing kan bijvoorbeeld worden verstaan het verzaken van bestuurstaken, zoals het bijhouden van de administratie, het bewaken van de financiën en – waar vereist – het afleggen van verantwoording. Ook het handelen in strijd met de wet of de statuten zou een reden tot ontslag kunnen zijn op basis van taakverwaarlozing. Bij ontslag van een bestuurder op grond van andere gewichtige redenen kan gedacht worden aan een ontslag dat nodig is om een impasse te doorbreken die de besluitvorming verlamt of om een einde te maken aan ernstig verstoorde verhoudingen binnen het bestuur.”
r.o. 3.16
“Tijdens het onderzoek op grond van een ontslagverzoek zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 1 BW, kan de rechter bij wie het onderzoek loopt op grond van lid 2 tijdelijke maatregelen treffen. Eén van die maatregelen is het schorsen van bestuurders. Het is van belang om te benadrukken dat het gaat om een voorlopige voorziening. Voor de beslissing om een bestuurder tijdelijk te schorsen is voldoende dat gerechtvaardigde vrees bestaat voor de aanwezigheid van (in ieder geval) één van de hiervoor genoemde ontslaggronden.
Bestaat voldoende vrees voor de aanwezigheid van een ontslaggrond zoals bedoeld in artikel 2:298 lid 1 BW?”
r.o. 3.17