Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 28 april 2026
Hoofdelijke aansprakelijkheid vof-vennoot voor bankkrediet; geen ontslag door e-mail bank
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een vennoot van een vof wordt door de bank aangesproken voor een kredietschuld van de vof waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is. Hij stelt dat het krediet is overgezet naar zijn latere BV en dat hij uit de hoofdelijkheid is ontslagen. Het hof oordeelt dat hij daar niet op mocht vertrouwen en ook niet op heeft vertrouwd, omdat de vof en haar bankrekeningen bleven bestaan. Het hof bekrachtigt de toewijzing van de vordering van de bank.
Kernoverwegingen
“[appellant] kan worden toegegeven dat ING onvoldoende helder heeft gemaakt wat de strekking van de e-mail van 18 november 2014 is geweest. Echter, dit betekent nog niet dat [appellant] er alleen op grond van die e-mail op heeft mogen vertrouwen dat de kredietovereenkomst is overgezet en dat hij daarmee zou zijn ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de VOF.”
r.o. 3.3
“Er is immers geen opvolging gegeven aan die e-mail. Zo is er geen herfinanciering ten behoeve van de BV tot stand gekomen: [appellant] is niet namens de BV een kredietovereenkomst met ING aangegaan waarmee het krediet van de VOF is afgelost. De rekeningen zijn ook niet op naam van de BV gesteld, maar zijn op naam van de VOF blijven staan. Over ontslag van hoofdelijkheid is in de e-mail niets vermeld en ook anderszins is niet gebleken dat ING die zekerheid heeft prijsgegeven. [appellant] wist vanuit zijn ervaring met de omzetting van het indertijd aan zijn eenmanszaak verstrekte krediet naar de VOF dat dit door middel van herfinanciering plaatsvindt en dat een en ander schriftelijk wordt vastgelegd (vergelijk rov 2.9 tot en met 2.11). Hij mocht er dan ook niet op vertrouwen dat de e-mail van 18 november 2014 voldeed om genoemd gevolg, laat staan het verstrekkende gevolg van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, te doen intreden.”
r.o. 3.4
“Op de betaalrekeningen van de VOF kwamen dus betalingen binnen waarop – naar de mening van de curator – de boedel van de BV aanspraak had. [appellant] weigerde echter om die betalingen door te storten naar de boedel. Dat strookt niet met zijn stelling dat hij ervan uitging dat het krediet en de daaraan verbonden betaalrekeningen waren overgezet naar de BV. Hieruit blijkt immers dat [appellant] zich zelf op het standpunt stelde dat er onderscheid bestond tussen de BV en de VOF en dat de betaalrekeningen die op naam van de VOF werden aangehouden bij de ING en de daaraan gekoppelde kredietfaciliteiten nog steeds van de VOF waren.”
r.o. 3.16