Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 2 juni 2026
Vof-aandeel bij agrarische bedrijfsopvolging: waardering, gift en quasi-legaat bij legitieme portie
- Personenvennootschappen
- Aandelenwaardering
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een onterfde dochter vordert haar legitieme portie en stelt dat het aandeel van haar overleden moeder in een agrarische vof te laag is gewaardeerd. Het hof oordeelt dat de vof een echt bedrijf uitoefent en dat het niet onaanvaardbaar is het aandeel te waarderen volgens het voortzettings- en overnamebeding in de vof-akte. Het aangaan van de vof is geen gift en het beding is geen quasi-legaat. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Kernoverwegingen
“Het hof is op grond van de gegevens die hiervoor in 3.6. zijn vermeld en die niet zijn weersproken van oordeel dat de activiteiten van de vof zijn aan te merken als bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. Er is sprake van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Het hof zal vervolgens de grieven I-IV van [appellant] bespreken tegen de achtergrond van wat hiervoor in 3.5. en 3.6. is overwogen.
Grief I: de vof is geen bedrijf maar een hobbyproject of belegging”
r.o. 3.7
“Het hof is van oordeel dat het in dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] uitvoering geven aan de afspraak die zij met moeder hebben gemaakt over de waardering van de (on)roerende zaken en vermogensrechten van de vof. Zij komen de afspraken na die zij met moeder hebben gemaakt. Het is in hun persoonlijke belang en in het maatschappelijk belang dat zij het bedrijf van de vof kunnen voortzetten. Grief IV van [appellant] faalt.
Grief V: is sprake van een gift?”
r.o. 3.23
“Bij een agrarische bedrijfsopvolging kan waardering op een lagere waarde dan de economische waarde noodzakelijk zijn om de voortzetting van het bedrijf van een maatschap of vennootschap onder firma door de voortzettende vennoten te verzekeren. De rechtsbetrekkingen tussen de vennoten en, voor zover van toepassing, als deelgenoten in een gemeenschap van maatschap of vennootschap worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 1 BW en artikel 3:166 lid 3 BW). Deze eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen bij agrarische bedrijfsopvolging meebrengen dat bij die
waardering geen sprake is van een bedoeling tot bevoordeling en een gift, maar van een verplichting tot nakoming om met die lagere waardering de voortzetting van het bedrijf mogelijk te maken.”
r.o. 3.25