← Week 31

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 juli 2026

Legaat van perceel en inbreng van gebruik en genot in maatschap met koopoptie

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Een legataris vordert afgifte van een gelegateerd perceel van de erfgename, die zich beroept op een koopoptie in de maatschapsovereenkomst. Het hof oordeelt dat niet is bewezen dat het gebruik en genot van het perceel in de maatschap was ingebracht en dat de koopoptie het legaat bovendien niet doet vervallen. Het hof veroordeelt de erfgename tot afgifte van het legaat.

Kernoverwegingen

“Voorop gesteld wordt dat uit de maatschapsovereenkomst op zichzelf niet blijkt dat het gebruik en genot van ook het perceel door de erflater is ingebracht in de maatschap (en dat daarom ook op dat perceel de in de aanvullende maatschapsovereenkomst aan [geïntimeerde] toegekende koopoptie rustte). De landerijen waarvan het genot en gebruik is ingebracht worden in de maatschapsovereenkomst niet anders omschreven dan als “hem in eigendom toebehorende landerijen gelegen nabij [woonplaats2] ter gezamenlijke grootte van ongeveer twintig hectare en vijftig centiare (…) een en ander aan de maten genoegzaam bekend.” Een nadere (kadastrale) aanduiding van de percelen ontbreekt. Weliswaar was ook het gelegateerde perceel eigendom van erflater, maar het was niet gelegen nabij [woonplaats2] , maar juist in de dorpskern van [woonplaats2] . Op [geïntimeerde] rust daarom de volledige bewijslast van haar (bevrijdende) verweer dat ook van het gelegateerde perceel het gebruik en genot was ingebracht.”

r.o. 5.6

“Uit die bescheiden en omstandigheden blijkt op zichzelf echter nog niet dat het gebruik en genot van het perceel door erflater was ingebracht in de maatschap, niet afzonderlijk en ook niet bezien in hun onderlinge verband en samenhang:

- in genoemde jaarstukken wordt het perceel niet genoemd, waarbij die stukken zijn opgemaakt ná het overlijden van erflater;

- de gecombineerde opgave over 2023 is van ná het overlijden van erflater;

- dat de maatschap verschillende jaren de aanslagen voor de gemeentelijke belastingen

voor het perceel heeft betaald op aangeven van erflater, wil nog niet zeggen dat het gebruik lag bij de maatschap. De aanslagen zagen op alle percelen die op naam van erflater stonden, dus ook op het perceel. Daarnaast kunnen aan het betalen van de aanslagen door de maatschap ook andere overwegingen ten grondslag hebben gelegen voor erflater dan dat het gebruik en het genot van het perceel bij de maatschap lag. De grief van [appellant] dat de rechtbank die betalingen ten onrechte doorslaggevend heeft geacht voor het bewijs slaagt dan ook;

- de landbouwvrijstelling die indertijd bij de verwerving van het perceel door erflater is verkregen zegt op zichzelf nog niet dat genot en gebruik van het perceel in de maatschap was ingebracht. Ook niet als die landbouwvrijstelling nog steeds bestaat; er kunnen voor erflater ook andere redenen zijn geweest om die landbouwvrijstelling te handhaven. Daarbij wordt opgemerkt dat erflater naast de maatschap ook een eigen […]”

r.o. 5.8

“Uit voormelde bescheiden en omstandigheden, afzonderlijk en bezien in hun samenhang, kan niet meer worden afgeleid dan dat er aanwijzingen zijn die erop zouden kunnen duiden dat het perceel inderdaad behoorde tot de landerijen waarvan het gebruik en genot door erflater is ingebracht in de maatschap. Daartegenover staan echter ook diverse, door [appellant] genoemde, omstandigheden die erop zouden kunnen duiden dat het perceel juist buiten die landerijen is gelaten:

- erflater heeft volgens de maatschapsovereenkomst ingebracht zijn landerijen die zijn gelegen “nabij [woonplaats2] ”, terwijl het perceel ligt in (de dorpskern van) [woonplaats2] , op ruime afstand van de andere landerijen die liggen om en nabij de boerderij van de maatschap;

- in de maatschap zijn door erflater ingebracht zijn landerijen met een oppervlakte van “ongeveer 20 hectare en vijftig centiare (20.50.00 hectare)”. [appellant] heeft onweersproken aangevoerd dat alle landerijen van erflater die liggen nabij [woonplaats2] – en daarmee om en nabij de boerderij van de maatschap – al een gezamenlijke oppervlakte hebben van 20.69.40 hectare, dus al meer dan de bij benadering opgegeven oppervlakte van 20,5 hectare;

- in hoger beroep is vast komen te staan dat het perceel niet is opgenomen in de gecombineerde opgave van de maatschap over 2020 en 2021, terwijl gesteld noch gebleken is dat dat in de jaren vanaf 2017 anders is geweest. Het opnemen in de gecombineerde opgave is wettelijk verplicht (artikel 24 […]”

r.o. 5.9

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4773
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
29 juli 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
4:94 BW, 3:300 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 31 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.