Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 11 augustus 2026
Maatschapsverdeling: jaarrekeningvoorschrift 2:362 lid 3 BW als maatstaf voor vergoeding
- Jaarrekening
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee broers hebben samen een agrarische maatschap gedreven, die is ontbonden. Het hof beslist over diverse geschilpunten bij de verdeling van het vermogen, waaronder een vergoeding voor de werkzaamheden van de zonen van een van de maten. Daarbij toetst het hof een in de jaarrekeningen verwerkte vergoeding aan het getrouwheidsvoorschrift van artikel 2:362 lid 3 BW, dat partijen volgens het hof van toepassing hebben willen laten zijn. Over de waarde waartegen wordt verdeeld heeft het hof nog meer informatie nodig.
Kernoverwegingen
“Uit de overgelegde jaarrekening 2006/2007, die door [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] is goedgekeurd, blijkt dat zij de jaarrekeningen van hun onderneming (laten) opstellen “in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving”. Het hof neemt aan dat zij daarmee hebben bedoeld te verwijzen naar de normen uit Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ofwel de artikelen 2:360 e.v. BW. Het hof neemt verder aan dat zij alle jaarrekeningen van de maatschap op die wijze hebben laten opstellen. Lid 3 van artikel 2:362 BW bepaalt dat de winst- en verliesrekening een getrouw, duidelijk en stelselmatig beeld heeft te geven van het resultaat van een boekjaar, wat volgens de wetsgeschiedenis ook geldt voor de keuze voor en de toepassing van waarderingsgrondslagen. Dit betekent dat de vergoeding voor ingebracht vee en ingebrachte fosfaatrechten daaraan moet beantwoorden. Daar waar in dit geval [naam1] een vergoeding voorstaat op basis van de aan hem toebehorende fosfaatrechten, ongeacht het gebruik daarvan, het aantal aanwezige melkkoeien en de feitelijk gerealiseerde melkopbrengst, is dat naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate in overeenstemming met voorgaand voorschrift en evenmin met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding van [naam1] en [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] ook beheersen.”
r.o. 6.25
“[naam1] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep een en ander onderkend en nader gesteld dat een aan hem toekomende jaarlijkse vergoeding voor het gebruik en genot van de ingebrachte melkkoeien en fosfaatrechten billijkheidshalve op € 21.400 kan worden gesteld – en daarmee op een substantieel lager bedrag dan waarmee in de concept-jaarrekeningen is gecijferd. [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] heeft daarop volstaan met de enkele opmerking dat hij niet kan beoordelen of die gevraagde vergoeding redelijk is. Dat acht het hof in de gegeven omstandigheden onvoldoende om niet van de redelijkheid van dat meer dan gehalveerde bedrag uit te gaan. Aan de betwisting van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] van deze post gaat het hof dan ook voorbij. Tot uitgangspunt dient partijen daarmee dat in de jaarrekeningen vanaf 2021/2022 moet worden verwerkt een aan [naam1] toegekende jaarlijkse vergoeding van € 21.400 voor in gebruik en genot ingebrachte melkkoeien en fosfaatrechten. Dit betekent verder dat de vordering van [geïntimeerde2 in 200.329.180 en geïntimeerde in 200.329.187] als bedoeld in rov. 5.3 sub c) niet toewijsbaar is.
Tussenconclusie”
r.o. 6.26