Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 oktober 2026
Bestuurder en grootaandeelhouder aansprakelijk voor selectieve betalingen via zero balancing voor faillissement
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator in twee faillissementen vordert van de bestuurder en de grootaandeelhouder terugbetaling van bedragen die via een zero balancing-arrangement kort voor het faillissement naar de moedermaatschappij zijn gevloeid en zijn verrekend. Het hof laat in het midden of artikel 54 Fw van toepassing is, maar oordeelt dat sprake is van onrechtmatige selectieve betaling aan een gelieerde vennootschap. De bestuurder wist of behoorde te weten dat de faillissementen onafwendbaar waren en liet de betalingen bewust doorlopen, zodat hem een persoonlijk ernstig verwijt treft. Ook de grootaandeelhouder is aansprakelijk; het hof wijst de vorderingen toe.
Kernoverwegingen
“Als uitgangspunt geldt dat schuldenaren beschikken over ‘betaalautonomie’: in beginsel mogen zij zelf bepalen welke schuldeisers zij zullen voldoen, ook als andere schuldeisers daardoor mogelijk niet zullen worden voldaan. Met andere woorden: schuldenaren mogen in beginsel ‘selectief’ betalen. Er bestaat dus geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is om al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties. Het staat (een bestuurder van) een vennootschap dan ook vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. De vrijheid van (een bestuurder van) een vennootschap om te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap zullen worden voldaan, is echter niet onbegrensd. Zo kan het onrechtmatig zijn om betalingen aan een schuldeiser te doen als de bestuurder van de vennootschap (schuldenaar) bij die betaling een persoonlijk belang heeft en andere schuldeisers (daardoor) onbetaald achter blijven.”
r.o. 3.23
“De vrijheid van de schuldenaar om vorderingen aan haar gelieerde partijen te voldoen, bijvoorbeeld groepsmaatschappijen, is meer begrensd. Die vrijheid is er volgens de Hoge Raad bijvoorbeeld niet als de betalende vennootschap (de schuldenaar) heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar (andere) schuldeisers te voldoen. Ook heeft de Hoge Raad bevestigd dat onder omstandigheden selectieve betaling van schulden aan partijen waar de schuldenaar zeggenschap over heeft vlak voor een faillissement van de schuldenaar aanleiding kan geven tot aansprakelijkheid. Dit kan zo zijn als de (bestuurder van de) schuldenaar op het moment van betaling wist dat andere schuldeisers onbetaald achter zouden blijven. In die situaties staat het (de bestuurder van) de betalende vennootschap dus in beginsel niet vrij om die gelieerde partij(en) met voorrang boven de andere schuldeisers te voldoen. Dit is alleen anders als die betaling door bijzondere, door de (bestuurder van de) vennootschap te stellen en bij betwisting te bewijzen omstandigheden, wordt gerechtvaardigd.
Bestuurdersaansprakelijkheid”
r.o. 3.24
“Binnen het hiervoor omschreven juridisch kader is de bestuurder van de betalende vennootschap (mede) aansprakelijk voor de schade die (andere) schuldeisers door de verrichte selectieve betalingen lijden als hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt kan in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap (lees: selectieve betalingen aan gelieerde partijen) tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Hierbij moet dus een tijdstip wordt gemarkeerd vanaf wanneer het handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Omdat het vaststellen van dit tijdstip tot op zekere hoogte arbitrair is, zal de rechter dan ook, mede nu het verwijt handelen in strijd met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid inhoudt, een datum moeten kiezen die aan de veilige kant is, dus onvermijdelijk ten gunste van degene aan wie het verwijt wordt gemaakt.
Peildatum”
r.o. 3.25