Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 september 2026
Selectiebesluit karatebond: marginale toetsing vernietigbaarheid ex artikel 2:15 BW in kort geding
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een sporter vorderde in kort geding intrekking van het besluit van een nationale sportbond om een andere sporter te selecteren voor een wereldkampioenschap. Het hof toetst het besluit marginaal aan artikel 2:15 lid 1 BW en de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Omdat het selectiedocument de bond beleidsvrijheid laat en het besluit op een gemotiveerde voordracht berust, is vernietiging door de bodemrechter niet aannemelijk. Het hof bekrachtigt de afwijzing van de vorderingen.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, of b) de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist of c) een reglement.”
r.o. 3.11
“Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit, en daarmee de mate van indringendheid waarmee de rechter de vernietigbaarheid van besluiten van een dergelijk orgaan op de voet van art. 2:15 lid 1 BW beoordeelt, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
KBN is niet verplicht [appellante] voor te dragen”
r.o. 3.13
“Het hof komt tot het voorlopige oordeel dat het voldoen aan de uitzondering niet betekent dat de bondscoaches verplicht waren [appellante] voor te dragen en KBN vervolgens verplicht was om deze voordracht te volgen. Dit volgt in de eerste plaats uit het gebruik van het woord “kan” in de uitzonderingsbepaling. Dat doelt op een mogelijkheid, op beleidsvrijheid, en niet op een verplichting. Uit de tekst van het selectiedocument volgt bovendien niet dat de uitzondering limitatief bedoeld is. De door [appellante] voorgestane uitleg zou ertoe leiden dat in het geval er niemand kwalificeert en niemand aan de uitzondering voldoet, er geen sporter kan worden voorgedragen en geselecteerd. In het geval er wel een sporter geschikt is om te worden voorgedragen en geselecteerd, zou die uitleg tot onwenselijke situatie leiden, zowel voor de sporter als voor KBN. Nu naar het voorlopig oordeel van het hof de uitzondering niet limitatief is betekent dit dat, als niemand kwalificeert, ook een sporter voorgedragen en geselecteerd kan worden die niet aan de uitzondering voldoet.”
r.o. 3.18