← Week 9

Gerechtshof Den Haag · 3 februari 2026

Verhaalsfrustratie door verhangen activa binnen concern: bestuurders hoofdelijk aansprakelijk, schade € 132.147

  • Aansprakelijkheid deels toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een schuldeiser verweet de bestuurder, de feitelijk beleidsbepaler en de moedervennootschap van een groepsvennootschap dat zij de enige belangrijke activa binnen het concern hadden verhangen, waardoor geen verhaal meer overbleef voor een later toegewezen vordering. Het hof oordeelt dat het agentschap ver onder de marktwaarde is overgedragen en dat zonder adequate voorziening een ernstig verwijt bestaat, waarbij artikel 2:374 BW een voorziening niet in de weg staat. De schade wordt vastgesteld op € 132.147 (in plaats van de door de rechtbank toegewezen € 664.381) en de korting wegens eigen schuld blijft in stand voor zover van belang.

Kernoverwegingen

“Herhaald wordt dat op zichzelf genomen niet als onrechtmatige daad (jegens Eurotransit ) valt aan te merken dat de [groep] , na de ontvlechting van het samenwerkingsverband met het Belgische Ahlers , ervoor koos om de (bestaande en toekomstige) agentuurwerkzaamheden, althans het overgenomen [agentschap] , onder te brengen in een aparte, nieuw verworven groepsvennootschap ( LV Agencies ), in plaats van deze activiteit – wat had gekund, ook op grond van (bepaling 7 van) de ontbindingsovereenkomst van 15 april 2005 met het Belgische Ahlers – voort te zetten en zo mogelijk uit te breiden binnen het bestaande Ahlers , ook al was die laatste vennootschap volgens [appellant] c.s. (oorspronkelijk) bedoeld voor containerimport. Een dergelijke herstructurering valt onder de inrichtingsvrijheid van het concern; van die vrijheid mocht gebruik worden gemaakt ook al was er (de dreiging van) een claim van Eurotransit , die als strategie koos om de gegrondheid van die claim eerst in rechte te laten vaststellen. Wat daarbij wel had mogen worden verlangd – van Ahlers , haar bestuurder [appellant] en feitelijk beleidsbepaler [erflater] , de (door [erflater] bestuurde) moedervennootschap, die de nieuwe groepsvennootschap naar voren schoof, en van [appellant] en [erflater] als bestuurders van die nieuwe groepsvennootschap – is (i) dat bij het verhangen van het (ook door [appellant] c.s. als enige asset van betekenis aangemerkte) agentschap en het bijbehorende actief een waardering op going […]”

r.o. 2.14

“Overigens is de tegenwerping van [appellant] c.s. steeds geweest dat het agentschap in 2005 tegen marktwaarde is gewaardeerd. Zo staat het ook in het jaarbericht 2005 van Ahlers : ‘Beëindiging bedrijfsactiviteiten De vennootschap heeft op 10 juli 2005 haar activiteiten alsmede gerelateerde activa overgedragen aan een groepsmaatschappij. De overdracht heeft plaatsgevonden tegen marktprijs. Als gevolg van deze transactie heeft de vennootschap een bate gerealiseerd van € 38.167.’ Die prijs (€ 38.167) berust volgens [appellant] c.s. op een door de interne accountant (dr. [accountant] ) gemaakte waardering (onderdeel van productie 6 bij de als productie 4 bij het deskundigenbericht van 24 december 2021 overgelegde brief van mr. Krumpelman van 4 oktober 2021), die gecheckt is door, althans afgestemd is met, de externe accountant van [bedrijf ] . Ook hebben zij erop gewezen dat het agentschap destijds om niet uit een faillissement is aangekocht en in 2018 ook weer om niet is verkocht. Dit alles laat echter onverlet dat de deskundige – die heeft acht geslagen op de door hem als ‘zeer eenvoudig van opzet’ aangemerkte berekening van de heer [accountant] – is uitgekomen op een aanmerkelijk hoger bedrag dan in 2005 aan het agentschap is toegekend. Aan die uitkomst (van de deskundige) wordt in dit verband meer gewicht toegekend dan aan de door [appellant] c.s. genoemde omstandigheden. Die vormen geen voldoende aanwijzing dat de in 2005 gebezigde koopsom berustte op een zorgvuldige, […]”

r.o. 2.15

“De vraag tot welke schade het aan [appellant] c.s. te verwijten handelen heeft geleid wordt als volgt beantwoord. [appellant] c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat het binnen Ahlers in 2005 behaalde (en aan de algemene reserve toegevoegde) resultaat van € 17.614 ‘vooral kwam door de bate gemoeid met beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van ad € 38.167’. Dit laatste bedrag is de verkoopopbrengst van het [agentschap] . Als gezegd (2.4) kwam de deskundige € 114.533 hoger uit. Dat bedrag wordt opgeteld bij het behaalde resultaat van € 17.614 = € 132.147. (Voor het softwarepakket wordt niet een extra bedrag opgeteld, omdat gesteld noch gebleken is dat het door Ahlers daarvoor ontvangen bedrag niet realistisch was.) Indien een bedrag in die omvang (€ 132.147) ten behoeve van de schuldeisers zou zijn gereserveerd in 2005, zou er geen grond bestaan voor aansprakelijkheid van [appellant] c.s. Aangenomen wordt verder dat Eurotransit zich dan (met voorrang) op dat gereserveerde bedrag had kunnen verhalen; uit het betoog van [appellant] c.s. blijkt niet, althans onvoldoende, dat er nog andere ten laste van dat te reserveren bedrag komende verplichtingen waren. Voor het (op dat in/over 2005 te reserveren bedrag) in mindering brengen van bijvoorbeeld (verdere) juridische/advocaten kosten met betrekking tot het geschil over de aansprakelijkheid voor de knoflookclaim bestaat geen goede grond, reeds niet omdat er niet van kan worden uitgegaan dat die kosten zouden zijn gemaakt indien […]”

r.o. 2.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:162
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
3 februari 2026
Datum publicatie
27 februari 2026
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 6:166 BW, 2:374 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
beide
Uitkomst aansprakelijkheid
deels toegewezen
Weekoverzicht
Week 9 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.