Gerechtshof Den Haag · 12 augustus 2026
Echtscheidingsverdeling en alimentatie; BV-winst en dwingend Boek 2-recht bij behoefte
- Overig Boek 2
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
In een echtscheidingszaak verdeelt het hof de huwelijksgoederengemeenschap: de aandelen in de holding van de man worden om niet aan de vrouw toegedeeld omdat waarde niet aannemelijk is. Voor de alimentatie oordeelt het hof dat winst van een BV niet zomaar als inkomen van de aandeelhouder geldt, mede vanwege dwingendrechtelijke Boek 2-bepalingen over bestuurdersaansprakelijkheid en het vennootschappelijk belang. De alimentatieverzoeken worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Kernoverweging
“De wijze waarop de vrouw de behoefte van de kinderen onderbouwt alsmede haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte is naar het oordeel van het hof ondeugdelijk. Ten eerste gaat zij uit van een verkeerde periode en ten tweede kan de winst uit onderneming niet opgeteld worden bij de winst die valt onder de vennootschapsbelasting. Winst in het kader van de Wet Inkomstenbelasting wijkt af van de winst in het kader van de Wet op de vennootschapsbelasting. Bij een B.V. dient ook nog rekening te worden gehouden met de dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW (artikel 2:25 BW in verbinding met artikel 2:216 lid 3 BW over de aansprakelijkheid van de bestuurders van een B.V.) en het vennootschappelijk belang, welke (mogelijke) aansprakelijkheid in deze zaak een belangrijke rol speelt en nog boven het hoofd van de man (en wellicht ook de vrouw) hangt. Deze dwingendrechtelijke bepaling alsmede het vennootschappelijk belang bepalen of eventuele winst van de vennootschap in het kader van dividend kan worden uitgekeerd aan de aandeelhouder (in dit geval de man). De winst in het kader van de vennootschapsbelasting kan dus niet (zomaar) als inkomen van de man worden aangemerkt. Voor de in de werkmaatschappijen gemaakte winst geldt dat des te meer.”
r.o. 2.21