Gerechtshof Den Haag · 7 april 2026
Vernietiging VvE-besluiten: termijn, e-mailoproeping en redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW)
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een minderheidseigenaar in een vereniging van eigenaars vraagt vernietiging van besluiten van twee ledenvergaderingen. Het hof oordeelt dat het verzoek voor de eerste vergadering te laat is, omdat voor de termijn het moment van ontvangst van de e-mail met de notulen in de mailbox telt. De besluiten van de tweede vergadering zijn niet in strijd met wettelijke of statutaire bepalingen (elektronische oproeping is toegestaan, artikel 2:41 BW) en evenmin met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het verzoek wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat het verzoek tot vernietiging van de op 7 november 2024 genomen besluiten te laat is ingediend en dat Badhuiskade om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard. In artikel 5:130 lid 2 BW staat: “Het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.” Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat onder de woorden “heeft kunnen kennis nemen” moet worden verstaan “redelijkerwijs heeft kunnen kennis nemen”. Voor personen die bij de vergadering aanwezig waren of anderszins vroegtijdig hebben kennisgenomen van het besluit, is het duidelijk wanneer de maandtermijn een aanvang neemt; voor personen die niet bij de vergadering aanwezig waren is de vraag wanneer zij van het besluit hebben kunnen kennisnemen. Wanneer zij redelijkerwijs kennis hebben kunnen nemen van het besluit hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt volgens de Hoge Raad veel gewicht toe aan de gebruiken binnen de VvE over de wijze waarop besluiten ter kennis van de leden worden gebracht. Is het gebruikelijk besluiten bekend te maken door de verspreiding van een besluitenlijst of notulen, dan is het uitgangspunt dat een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was vanaf het moment van die bekendmaking redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen van het besluit, tenzij hij feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit […]”
r.o. 6.1
“Naar het oordeel van het hof is niet het moment waarop de geadresseerde de e-mail leest beslissend, maar het moment waarop de e-mail in de elektronische postbus wordt ontvangen, oftewel het moment dat het e-mailbericht in zijn e-mailbox wordt gedeponeerd. De notulen zijn op 2 december 2024 naar van Badhuiskade bekende e-mailadressen gestuurd. Vóór 2 december 2024 – op 17, 20 en 21 juni 2024 – is er namelijk correspondentie gevoerd tussen [naam 4] en Badhuiskade, waarbij Badhuiskade mailt met [naam 4] vanaf het e-mailadres [e-mailadres naam 1] (met in de cc [e-mailadres naam 5] , [e-mailadres], secretariaat@one.nl en [naam 1] @badhuiskade.nl). Dat het in eerste instantie is misgegaan met de verzending naar de adressen [e-mailadres naam 1] , backoffice@one.nl, [e-mailadres naam 5] en secretariaat@one.nl heeft de VvE bij de mondelinge behandeling uitgelegd. Het IP-adres werd op die dag geblokkeerd, terwijl de verzending naar die mailadressen daarvoor altijd goed ging. Zij heeft daarop het IP-adres gewijzigd en toen kwamen de e-mailberichten wel aan. De e-mails zijn er dezelfde dag nog uitgegaan. Deze uitleg is door Badhuiskade niet betwist. In het bijzonder heeft zij niet betwist dat de e-mail op het adres secretariaat@one.nl is aangekomen, terwijl zij niet heeft gesteld dat dit e-mailadres door haar niet wordt gebruikt. Maar ook los daarvan, had Badhuiskade kennis kunnen nemen van de notulen op het e-mailadres [e-mailadres], want de notulen die naar dit adres zijn verstuurd […]”
r.o. 6.4
“Dan ligt de vraag voor of de besluiten die zijn genomen op 28 november 2024 vernietigbaar zijn. Het eerste argument van Badhuiskade is dat zij niet is opgeroepen voor de vergadering en dat de besluiten daarom in strijd met de wettelijke of statutaire bepalingen tot stand zijn gekomen. Dit argument faalt. De oproeping en de vergaderstukken voor de algemene ledenvergadering van 28 november 2024 zijn per e-mail en per gewone post van 12 november 2024 aan Badhuiskade verstuurd. Op grond van art. 2:41 lid 5 BW kan de oproeping geschieden door een langs elektronische weg toegezonden leesbaar en reproduceerbaar bericht aan het adres dat door de geadresseerde voor dit doel is bekend gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 2:41 BW, bij gebreke van een schakelbepaling, weliswaar niet rechtstreeks van toepassing is op de vereniging van eigenaars, maar dat niettemin moet worden aangenomen dat de vergadering van eigenaars langs elektronische weg kan worden bijeengeroepen met inachtneming van de voorwaarden en het voorbehoud genoemd in art. 2:41 lid 5 BW. Aangenomen moet worden dat de zinsnede “tenzij de statuten anders bepalen” inhoudt dat elektronische oproeping slechts dan niet is toegelaten indien die wijze van oproepen in de statuten voldoende duidelijk wordt uitgesloten (HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1535). In dit geval is elektronische oproeping niet uitgesloten in de statuten.”
r.o. 6.7