Gerechtshof Den Haag · 14 april 2026
Artikel 2:248 BW: onbehoorlijk bestuur door niet-publicatie jaarrekeningen; matiging tot nihil
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator sprak de bestuurders van een failliete holding aan wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat de jaarrekeningen niet of te laat waren gepubliceerd (artikel 2:248 BW). Het hof oordeelt dat het wettelijk bewijsvermoeden niet is weerlegd en dat een beroep op de coronacrisis niet slaagt. Omdat geen schuldeiser is benadeeld en de curator onvoldoende onderzoek deed, matigt het hof de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 lid 4 BW tot nihil.
Kernoverwegingen
“In hoger beroep staat niet ter discussie dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW, dit tot gevolg heeft dat op grond van artikel 2:248 lid 2 BW vast staat dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het hof neemt verder tot uitgangspunt dat voor de weerlegging van dit vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest (HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6773).”
r.o. 6.5
“Anders dan de bestuurders betogen, hebben zij naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de coronacrisis een belangrijke oorzaak van het faillissement van Dudok Groep zijn. Het moge zo zijn dat de bestuurders niet langer winstuitkeringen uit de deelnemingen ontvingen vanwege de gevolgen van de coronacrisis en daardoor niet in staat waren om uitvoering te geven aan de afwikkelafspraak, maar dat laat onverlet dat Dudok Groep zelf geen recht (meer) had op die winstuitkeringen. Zij kon die winsten niet aanwenden om haar schuldeisers te voldoen, doordat de deelnemingen als gevolg van de herstructurering uit het vermogen van Dudok Groep waren gegaan. Dat er (vanwege de dividenduitkering en de verrekeningen) geen vervangend reëel vermogensobject voor de schuldeisers van Dudok Groep in de plaats is gekomen van de aandelen in de deelnemingen, is door de bestuurders ook niet betwist. De afwikkelafspraak maakt dat niet anders, omdat Dudok Groep en haar schuldeisers daaraan geen rechten konden ontlenen. Bestuurders erkennen ook zelf dat, hoewel hun intentie was een ordentelijke afwikkeling van de schuldeisers, zij er (in retrospectief) verstandiger aan hadden gedaan te zorgen dat de enkele nog resterende schuldeisers een rechtstreekse aanspraak konden ontlenen aan de afwikkelafspraak, of anderszins een verhaalsobject behielden. Dit nalaten dient de bestuurders te worden toegerekend, zodat het feit dat het opdrogen van de inkomstenstroom uit de deelnemingen […]”
r.o. 6.7
“Het voorgaande leidt tot de ongerijmde conclusie dat van schuldeisersbenadeling in feite geen sprake is omdat geen van de schuldeisers van Dudok Groep onbetaald én onverhaalbaar is gebleven als gevolg van het aan de bestuurders verweten handelen, maar dat de bestuurders wel aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het tekort in het faillissement van Dudok Groep op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 jo lid 1 BW (zie 6.8). Het komt het hof reeds om die reden bovenmatig voor om de bestuurders aansprakelijk te houden voor het gehele faillissementstekort. Matiging”
r.o. 6.14