Gerechtshof Leeuwarden · 9 september 2008
Stichting Schaapstil
Stichting: vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang en ongeldig bestuursbesluit tot procederen tegen bestuurder
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een stichting vordert in een procedure over interne bestuurdersaansprakelijkheid schadevergoeding van een bestuurder. Het hof oordeelt dat het bestuur van een stichting bij tegenstrijdig belang vertegenwoordigingsbevoegd blijft, omdat artikel 2:292 BW geen uitzondering kent en analoge toepassing van de artikelen 2:146 en 2:256 BW te ver gaat. De stichting wordt toch niet-ontvankelijk verklaard, omdat een rechtsgeldig bestuursbesluit om te procederen ontbreekt en geen bekrachtiging heeft plaatsgevonden.
Kernoverwegingen
“Het gaat in dit geding om een procedure waarbij (onder meer) de interne aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon aan de orde is (art. 2:9 BW). Een dergelijke procedure moet worden ingesteld door de rechtspersoon. Zoals ook uit de ter zake relevante literatuur blijkt, geldt hierbij dat de wettelijke bepalingen inzake het tegenstrijdig belang van toepassing zijn. 6.2 Uit de wetsgeschiedenis van art. 51 K (oud), de voorloper van de artt. 2:146 en 2: 256 BW, blijkt dat bij de invoering van deze bepaling is gedacht aan onder meer rechtsgedingen tussen de vennootschap en haar bestuurders (hetgeen wel wordt aangeduid als het directe tegenstrijdig belang). In een dergelijk geval geldt voor zowel de besloten als de naamloze vennootschap dat, tenzij bij de statuten anders is bepaald, de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, wordt vertegenwoordigd door commissarissen en voorts dat de algemene vergadering van aandeelhouders steeds bevoegd is een of meer andere personen aan te wijzen. Voor de vereniging geldt in het geval van tegenstrijdig belang met een of meer bestuurders of commissarissen dat de algemene vergadering een of meer personen kan aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen (art. 2:47 BW). In het laatste geval is derhalve sprake van een bevoegdheid en niet van een verplichting. De wet behelst geen bepaling omtrent het tegenstrijdig belang dat de stichting kan hebben met een of meer van […]”
r.o. 6.1
“Het hof is van oordeel dat de hiervoor bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. In art. 2:292 lid 1 BW is immers bepaald dat het bestuur de stichting vertegenwoordigt, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Nu zoals hiervoor vermeld een uitdrukkelijke wettelijke bepaling voor de stichting ontbreekt, is er geen grond voor het oordeel dat het bestuur desondanks niet bevoegd is om de stichting te vertegenwoordigen wanneer sprake is van een (direct) tegenstrijdig belang. Het hof acht geen termen aanwezig om - zoals in de literatuur wel wordt bepleit - de artikelen 2:146 c.q. 2:256 BW in een geval als dit analoog toe te passen. Het hof wijst er in dit verband op dat - zoals hiervoor al vermeld - voor de vereniging evenmin is bepaald dat het bestuur niet vertegenwoordigingsbevoegd is bij een tegenstrijdig belang, maar dat door de wetgever juist is bepaald dat de algemene vergadering een of meer personen kan aanwijzen. Het zonder meer doortrekken van de op dit punt (alleen) voor de besloten en naamloze vennootschap geldende, veel strengere, regeling naar andere rechtspersonen gaat naar het oordeel van het hof dan ook te ver. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat Schaapstil meerdere organen kent, zodat vertegenwoordigingsonbevoegdheid van het bestuur tot het op zichzelf bezien ongewenste gevolg zou leiden dat de stichting geen procedure kan beginnen op de voet van art. 2:9 BW tegen een van haar bestuurders. Mede om die reden ziet […]”
r.o. 6.3
“Het hof is van oordeel dat, daargelaten de vraag of [appellante 2] na de beschikkingen van het hof van 24 augustus 2005 nog als voorzitter van Schaapstil kan worden aangemerkt, aan art. 5 lid 14 in ieder geval niet de bevoegdheid kon worden ontleend om bedoeld besluit te nemen. Deze bepaling heeft immers uitsluitend betrekking op de situatie dat er sprake is van een geschil omtrent een stemming waarin de statuten niet voorzien. Die situatie doet zich echter hier niet voor. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellante 2] op grond van de statuten langs andere weg zelfstandig bevoegd was om het besluit te nemen, leidt dit tot het oordeel dat [appellante 2] in zoverre onbevoegd was. 7.2 Wat betreft de vraag of nadien alsnog op rechtsgeldig wijze door het bestuur is besloten om de beslissing van [appellante 2] te bekrachtigen, overweegt het hof dat [geïntimeerde] onder meer heeft opgemerkt (memorie van antwoord, onder nr. 23) dat een formeel bestuursbesluit om het derde bestuurslid (mw. [nieuw bestuurslid]) te benoemen, ontbreekt. Schaapstil heeft dit als zodanig niet betwist, maar heeft wel naar voren gebracht dat [geïntimeerde] er in heeft toegestemd dat [nieuw bestuurslid] zou worden benoemd en dat het bestuur van Schaapstil sinds 11 december 2005 - de datum van inschrijving van [nieuw bestuurslid] als bestuurder in het handelsregister van de Kamer van Koophandel - weer uit drie leden bestaat. Wat er verder ook zij van de vraag of [geïntimeerde] feitelijk akkoord was met de […]”
r.o. 7.1