← Week 37

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 juni 2026

Garantiestelling aandeelhouders met verwijzing naar artikel 2:403 BW: derdenbescherming in kort geding

  • Aansprakelijkheid deels toegewezen
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een dienstverlener vordert in kort geding betaling van een aandeelhouder van een failliete spoorwegonderneming, op grond van een garantiestelling waarin de aandeelhouders met verwijzing naar artikel 2:403 BW hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaardden. Het hof oordeelt dat de dienstverlener op grond van artikel 3:36 BW gerechtvaardigd mocht vertrouwen op hoofdelijke aansprakelijkheid, ook al is de garantiestelling geen 403-verklaring en later ingetrokken. Wegens ontbrekende facturen wijst het hof een lager bedrag toe dan de voorzieningenrechter.

Kernoverwegingen

“De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de uit rechtshandelingen van MDrivers voortvloeiende schulden door Intergroup een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling van Intergroup is. Grief 3 komt hier, beargumenteerd en nader onderbouwd met opinies, tegen op. De beantwoording van de vraag of in casu sprake is van een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling is inmiddels in verschillende bodemprocedures aan de orde gesteld. Het hof zal in deze kort geding procedure het antwoord op de vraag of in casu sprake is van een eenzijdige verbintenis scheppende rechtshandeling in het midden laten, nu het hof in deze zaak voorshands van oordeel is dat LLOB een beroep op artikel 3:36 BW toekomt.

Op welk moment was de Garantiestelling bij LLOB bekend?”

r.o. 6.11

“Tussen partijen is niet in geschil dat de Garantiestelling op verzoek van ILT is opgesteld en aan ILT is geadresseerd. De omstandigheid dat de Garantiestelling is geadresseerd aan ILT, heeft niet tot gevolg dat LLOB geen beroep kan doen op de Garantiestelling die zij voorafgaand aan haar werkzaamheden voor MDrivers heeft ontvangen. LLOB heeft naar het voorlopig oordeel van het hof immers te gelden als een derde in de zin van artikel 3:36 BW bij de uitgebrachte Garantiestelling. Weliswaar heeft LLOB geen expliciet beroep gedaan op dit artikel (LLOB plaatst haar gerechtvaardigd vertrouwen in de sleutel van artikel 3:35 BW), maar de door haar gestelde feiten brengen mee dat het hof met toepassing van artikel 25 Rv haar stellingen verstaat als (ook) een beroep op artikel 3:36 BW. Voor zover door Intergroup is aangevoerd dat MDrivers Intergroup onbevoegd heeft vertegenwoordigd doordat MDrivers de Garantiestelling heeft verspreid, miskent Intergroup dat LLOB niet is afgegaan op een (schijn van) vertegenwoordiging door MDrivers van Intergroup; LLOB baseert haar aanspraak rechtstreeks op de verklaring die Intergroup in de Garantiestelling heeft afgelegd en beroept zich op de rechtsgevolgen daarvan.”

r.o. 6.14

“Naar het voorlopig oordeel van het hof mocht LLOB op grond van de Garantiestelling er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Intergroup (samen met de andere aandeelhouders) zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor een (toekomstige) schuld van MDrivers jegens haar. De tekst van de Garantiestelling waarin onder meer is vermeld dat vanuit de aandeelhouders “expliciet” wordt aangegeven dat zij “haar bestaande en toekomstige financieel economische verplichtingen voor ten minste een jaar (2025) kunnen waarborgen welke voortvloeien uit de huidige dan wel voorgenomen bedrijfsvoering” biedt steun voor de uitleg die LLOB aan de Garantiestelling toekent. Dat geldt ook voor de verwijzing naar artikel 2:403 Burgerlijk Wetboek in de tekst. Dat de Garantiestelling geen 403-verklaring is in de zin van artikel 2:403 BW doet er niet aan af dat LLOB uit die verwijzing mocht afleiden dat het de bedoeling van Intergroup (en de andere aandeelhouders) was dat Intergroup hoofdelijke aansprakelijkheid jegens haar als (toekomstig) schuldeiser van MDrivers aanvaardde. LLOB heeft de Garantiestelling in ieder geval in die zin mogen begrijpen. Voorts is nog van belang dat LLOB reeds gedurende vijftien jaar werkzaam is in het spoorwegvervoer in Europa en naar voren heeft gebracht dat financiële draagkracht voor een onderneming die binnen die branche opereert, vereist is ingevolge de Spoorwegwet en het Besluit. Gelet op deze ervaring en kennis van LLOB, de tekst van de Garantiestelling en de omstandigheid dat […]”

r.o. 6.17

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2026:1666
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
23 juni 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:403 BW, 3:36 BW, 3:35 BW, 6:119a BW
Thema
Overig Boek 2
Aangesproken
aandeelhouder
Uitkomst aansprakelijkheid
deels toegewezen
Weekoverzicht
Week 37 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.