← Week 39

Hoge Raad · 25 september 1981

Osby

Onrechtmatige daad moedermaatschappij jegens schuldeisers dochter na zekerheidsoverdracht activa

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een buitenlandse moedermaatschappij en enig aandeelhouder verwierf in zekerheidseigendom vrijwel alle activa van haar Nederlandse dochter, waarna een leverancier van de gefailleerde dochter haar aansprakelijk stelde uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad formuleert de maatstaf: de moeder handelt onder omstandigheden onrechtmatig als zij nalaat zich de belangen van nieuwe schuldeisers aan te trekken en wist of behoorde te voorzien dat zij zouden worden benadeeld. De beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouder staat daaraan niet in de weg. Wegens motiveringsgebreken wordt het arrest vernietigd en de zaak verwezen.

Kernoverwegingen

“dat [eiseres] ter fine van vestiging respectievelijk uitbreiding van haar bedrijfsdebiet in Nederland in maart 1965 is overgegaan tot oprichting van een naamloze vennootschap in Nederland, genaamd [A] N.V., aanvankelijk gevestigd en kantoorhoudend in [vestigingsplaats] , nadien overgeplaatst naar [vestigingsplaats] ; 3. dat deze Nederlandse vestiging, een honderd procent dochtermaatschappij van [eiseres] , zich metterdaad in Nederland sedert haar oprichting bedrijfsmatig is gaan bezighouden onder de handelsnaam [A] N.V. onder meer met de fabricage en/of assemblage van centrale verwarmingsketels en stoomketels; 4. dat deze Nederlandse vestiging van [eiseres] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 9 maart 1970 op eigen verzoek in staat van faillissement is verklaard; 5. dat de voormelde Rechtbank bij beschikking van 19 maart 1970 ten verzoeke van [verweerster] is overgegaan tot instelling van een voorlopige crediteurencommissie als voorzien in artikel 74 van de Faillissementswet; 6. dat ter gelegenheid van een door de voormelde crediteurencommissie ingesteld onderzoek de navolgende feiten en omstandigheden zijn gebleken: a) [eiseres] is een middelgroot doch snel expanderend en goed renderend fabricage- en handelsbedrijf. Het geplaatste maatschappelijk kapitaal van [eiseres] bedroeg per 1 mei 1967 Zw. Kr. 842.000,-- en per 1 mei 1969 Zw. Kr. 1.100.000,--. De bruto winst van [eiseres] over het boekjaar 1968/1969 heeft Zw. Kr. 1.966.021 -- bedragen. Het […]”

r.o. 2

“dat deze Nederlandse vestiging, een honderd procent dochtermaatschappij van [eiseres] , zich metterdaad in Nederland sedert haar oprichting bedrijfsmatig is gaan bezighouden onder de handelsnaam [A] N.V. onder meer met de fabricage en/of assemblage van centrale verwarmingsketels en stoomketels; 4. dat deze Nederlandse vestiging van [eiseres] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 9 maart 1970 op eigen verzoek in staat van faillissement is verklaard; 5. dat de voormelde Rechtbank bij beschikking van 19 maart 1970 ten verzoeke van [verweerster] is overgegaan tot instelling van een voorlopige crediteurencommissie als voorzien in artikel 74 van de Faillissementswet; 6. dat ter gelegenheid van een door de voormelde crediteurencommissie ingesteld onderzoek de navolgende feiten en omstandigheden zijn gebleken: a) [eiseres] is een middelgroot doch snel expanderend en goed renderend fabricage- en handelsbedrijf. Het geplaatste maatschappelijk kapitaal van [eiseres] bedroeg per 1 mei 1967 Zw. Kr. 842.000,-- en per 1 mei 1969 Zw. Kr. 1.100.000,--. De bruto winst van [eiseres] over het boekjaar 1968/1969 heeft Zw. Kr. 1.966.021 -- bedragen. Het vennootschapsvermogen, gerekend op basis van de verzekerde waarde, is tussen 1 mei 1967 en 1 mei 1969 verdubbeld van Zw. Kr. 7.000.000,-- tot Zw. Kr. 14.000.000. --. In [vestigingsplaats] in de Duitse Bondsrepubliek is een eveneens honderd procent dochtermaatschappij van [eiseres] werkzaam welke, blijkens het jaarverslag van […]”

r.o. 3

“dat deze Nederlandse vestiging van [eiseres] bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 9 maart 1970 op eigen verzoek in staat van faillissement is verklaard; 5. dat de voormelde Rechtbank bij beschikking van 19 maart 1970 ten verzoeke van [verweerster] is overgegaan tot instelling van een voorlopige crediteurencommissie als voorzien in artikel 74 van de Faillissementswet; 6. dat ter gelegenheid van een door de voormelde crediteurencommissie ingesteld onderzoek de navolgende feiten en omstandigheden zijn gebleken: a) [eiseres] is een middelgroot doch snel expanderend en goed renderend fabricage- en handelsbedrijf. Het geplaatste maatschappelijk kapitaal van [eiseres] bedroeg per 1 mei 1967 Zw. Kr. 842.000,-- en per 1 mei 1969 Zw. Kr. 1.100.000,--. De bruto winst van [eiseres] over het boekjaar 1968/1969 heeft Zw. Kr. 1.966.021 -- bedragen. Het vennootschapsvermogen, gerekend op basis van de verzekerde waarde, is tussen 1 mei 1967 en 1 mei 1969 verdubbeld van Zw. Kr. 7.000.000,-- tot Zw. Kr. 14.000.000. --. In [vestigingsplaats] in de Duitse Bondsrepubliek is een eveneens honderd procent dochtermaatschappij van [eiseres] werkzaam welke, blijkens het jaarverslag van 30 april 1969 van [eiseres] , evenzeer winstgevend is. b) De financiering van de Nederlandse vestiging vond plaats door middel van een - zoals gebruikelijk: door [eiseres] als moedermaatschappij gegarandeerd - bankcrediet en daarnaast, gelijk evenzeer gebruikelijk, door [eiseres] zelf in […]”

r.o. 4

Gegevens

Bekend als
Osby
ECLI
ECLI:NL:HR:1981:AG4232
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
25 september 1981
Datum publicatie
15 september 2020
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
aandeelhouder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 39 van 1981

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.