Hoge Raad · 26 oktober 1984
Sjardin/Sjartec
Vernietiging ontslagbesluit bestuurder BV wegens strijd met goede trouw naast arbeidsovereenkomst
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een als bestuurder ontslagen aandeelhouder van een BV vordert vernietiging van het ontslagbesluit wegens strijd met de goede trouw. De Hoge Raad oordeelt dat een bestuurder met een arbeidsovereenkomst in beginsel het ontslagbesluit kan laten toetsen aan de vernietigingsgronden van artikel 2:11 BW (oud, thans artikel 2:15 BW). Omdat de vordering hier uitsluitend op de ontslaggronden berust, is alleen arbeidsrechtelijke toetsing mogelijk en wordt het beroep verworpen.
Kernoverwegingen
“Voorop moet worden gesteld dat, naar het middel terecht aanvoert, de opvatting dat een ontslagen bestuurder van een BV, met wie een arbeidsovereenkomst bestaat, nimmer vernietiging van het ontslagbesluit op grond van strijd met de goede trouw, bedoeld in art. 2:11 lid 1, aanhef en onder c , BW zou kunnen vorderen, onjuist is. Naast de toetsing van het ontslag zelf aan de regels betreffende de arbeidsovereenkomst, dient immers getoetst te kunnen worden of de op het ontslag gerichte wil van de BV, zoals deze in haar tot het ontslag strekkende wilsverklaring jegens de bestuurder tot uiting is gebracht, zich heeft gevormd overeenkomstig de daarvoor geldende regels van de wet en de statuten en de in dit verband tevens in acht te nemen eisen van de goede trouw. Een zodanige toetsing dient te geschieden door toetsing van het besluit waarbij tot het ontslag werd besloten, aan de vernietigingsgronden van art. 2:11 BW. Eerst indien het ontslagbesluit waarvan vernietiging is gevraagd, onaantastbaar is geoordeeld, komt de vraag aan de orde welke gevolgen het arbeidsrecht aan het ontslag verbindt, waarbij art. 2:244 lid 3 BW dat bij vernietiging van het ontslagbesluit geen rol speelt een beletsel vormt om herstel van de dienstbetrekking uit te spreken. 3.3 Niettemin kan het middel niet tot cassatie leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval de vordering tot vernietiging van het ontslagbesluit wegens strijd met de goede trouw haar […]”
r.o. 3.2
“Niettemin kan het middel niet tot cassatie leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval de vordering tot vernietiging van het ontslagbesluit wegens strijd met de goede trouw haar grondslag niet vindt in enige strijdigheid met de eisen van de goede trouw die bij het tot stand komen van het besluit in acht dienden te worden genomen, doch uitsluitend in de gronden waarop het ontslag aan [eiser] gegeven werd. In een zodanig geval brengt de strekking van de artt. 1639 e e.v., met inachtneming van het bepaalde in art. 2:244 lid 3 BW, mee dat alleen toetsing mogelijk is van het ontslag zelf aan de toepasselijke regels betreffende de arbeidsovereenkomst, waarbij de bij de uitvoering van die overeenkomst in acht te nemen eisen van de goede trouw mede van belang kunnen zijn. Daarop is de onderhavige vordering evenwel niet gegrond, terwijl zij, naar het Hof terecht heeft geoordeeld, wegens het verstrijken van de termijn van art. 1639 u daarop ook niet meer gegrond zou kunnen worden. 4. Beslissing De Hoge Raad:verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de B.V. begroot op ƒ 306,30 aan verschotten en ƒ 1.700,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vicepresident Ras als voorzitter en de raadsheren Snijders, Martens, Bloembergen en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident Ras op 26 oktober 1984.”
r.o. 3.3