Hoge Raad · 20 mei 1988
Koster/Kobo
Artikel 2:248 BW: vermoeden onbehoorlijk bestuur bij ontbrekende boekhouding; faillissement van bestuurder
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator verzoekt het faillissement van een gelijkgestelde bestuurder op basis van een boedelvordering uit artikel 2:248 BW wegens ontbrekende balans en boekhouding. De Hoge Raad oordeelt dat bij schending van de administratieplicht onbehoorlijke taakvervulling vaststaat en een belangrijke oorzaak van het faillissement aannemelijk is, behoudens tegenbewijs. De summiere faillissementsprocedure staat daaraan niet in de weg. Het beroep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De eerste klacht van dit onderdeel mist feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaat dat het Hof niet heeft vastgesteld dat te dezen de voorwaarde is vervuld waarvan blijkens het eerste lid van art. 2:248 afhankelijk is of de daar gegeven hoofdelijke aansprakelijkheid van ‘’iedere bestuurder’’ voor (het bedrag van) de schulden van de in staat van faillissement verklaarde vennootschap intreedt, te weten: dat deze schulden ‘’niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan’’. In overeenstemming met de door het Hof in zijn rechtsoverweging 2 weergegeven stelling van Mr. Van Nie q.q., heeft het Hof immers kennelijk — en, nu uit de stukken van het geding niet blijkt van enige tegenspraak op dit punt van de zijde van [verzoeker], begrijpelijkerwijs — op grond van het in eerste aanleg overgelegde voorlopig verslag van de curator in het faillissement van de vennootschap, summierlijk aannemelijk geoordeeld dat de schulden van de vennootschap de van de vereffening van de overige baten te verwachten opbrengst naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk zullen overtreffen. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat [verzoeker] zich omtrent (de omvang van) het te verwachten tekort heeft uitgelaten, behoefde dit oordeel geen nadere motivering. Het geeft, mede in aanmerking genomen dat, zoals ook blijkt uit het vijfde lid van art. 2:248, in situaties als de onderhavige mag worden uitgegaan van een prognose omtrent het tekort, niet blijk van een onjuiste […]”
r.o. 3.3
“Als tweede klacht voert onderdeel 1 aan dat het ontbreken van een balans per 31 december 1986 en van een boekhouding over 1987 wel een vermoeden oplevert dat onbehoorlijke taakvervulling ‘’een belangrijke oorzaak is van het faillissement’’, maar zulks nog niet — zoals ingevolge het eerste lid van art. 2:248 tevens is vereist — aannemelijk maakt. Het miskent daarmede dat — zoals blijkt uit de bewoordingen van het eerste lid van art. 2:248 in verbinding met de eerste zin van het tweede lid en bevestiging vindt in de in de conclusie van het Openbaar Ministerie geciteerde passages uit de wetsgeschiedenis — indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn in dat tweede lid genoemde verplichtingen: (1°) zonder meer als vaststaand moet worden aangenomen dat ieder der bestuurders zijn taak ook voor het overige kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en (2°) behoudens tegenbewijs door de aangesproken bestuurder voor aannemelijk moet worden gehouden dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Bijgevolg behoefde het Hof zijn oordeel op dit punt niet nader te motiveren, want uit de stukken van het geding blijkt niet dat [verzoeker] heeft betoogd — laat staan aannemelijk heeft gemaakt — dat zijn bestuur niet als een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] B.V. kan worden aangemerkt. Ook de tweede klacht van onderdeel 1 is derhalve vergeefs voorgedragen. 3.5 Bij zijn mondelinge toelichting van onderdeel 1 van het middel heeft de advocaat […]”
r.o. 3.4
“Bij zijn mondelinge toelichting van onderdeel 1 van het middel heeft de advocaat van [verzoeker] betoogd dat de kern van de daarin tegen 's Hofs uitspraak gerichte klacht is dat het Hof het faillissement van [verzoeker] heeft gebaseerd op een hoofdelijke aansprakelijkheid als bedoeld in art. 2:248: nu uit de geschiedenis van deze bepaling niet blijkt dat is beoogd de curator van een failliet verklaarde vennootschap in staat te stellen de hem door deze bepaling tegenover de bestuurders van die vennootschap verschafte sterke positie te gebruiken om het faillissement van die bestuurders aan te vragen, en nu de summiere faillissementsprocedure de met een dergelijke aanvrage geconfronteerde bestuurder geheel onvoldoende gelegenheid biedt te voldoen aan de zware stelplicht en bewijslast welke in een geval als bedoeld in het tweede lid van die wetsbepaling op hem rust, behoort, aldus pleiter, een faillissement, mede gezien de daaraan voor de bestuurder persoonlijk verbonden ernstige gevolgen, niet te worden uitgesproken op basis van een vordering, waarvan het bestaan louter op grond van art. 2:248 wordt aangenomen. Of dit betoog in het eerste onderdeel van het middel kan worden gelezen, kan in het midden blijven, nu dat betoog niet als juist kan worden aanvaard. Het summiere karakter van de faillissementsprocedure laat de rechter immers voldoende vrijheid om — mede rekening houdende met de overige bijzonderheden van het gegeven geval — de door pleiter geschilderde moeilijke positie […]”
r.o. 3.5