← Week 42

Hoge Raad · 20 oktober 1989

Ellem Beheer/De Bruin

Décharge aan bestuurder en alleenaandeelhouders: geen nietigheid, geen strijd met goede trouw

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een besloten vennootschap vordert van haar voormalige bestuurder schadevergoeding omdat hij een bedrag van ƒ 1,9 miljoen zonder zekerheden of onderzoek naar een Zwitserse ontvanger had overgemaakt. De Hoge Raad oordeelt dat de door de algemene vergadering verleende décharge aan die vordering in de weg staat. Die vergadering bestond uitsluitend uit de bestuurder zelf en zijn echtgenote, die beiden volledig van de handelingen op de hoogte waren. De décharge is daarom niet nietig en een beroep erop is niet in strijd met de goede trouw.

Kernoverwegingen

“Vooropgesteld moet worden dat blijkens het voorgaande de décharge op 25 mei 1983 aan [verweerder] is verleend, toen de algemene vergadering van aandeelhouders uitsluitend bestond uit hemzelf en zijn echtgenote. Nu ook voor wat betreft zijn echtgenote het tegendeel niet is aangevoerd, dient uitgangspunt te zijn dat ten tijde van de décharge beide aandeelhouders met de in deze zaak aan de orde zijnde handelingen van [verweerder] volledig bekend waren. Bij dit uitgangspunt is niet in te zien, waarom de aan [verweerder] verleende décharge bloot zou staan aan een door de vennootschap in te roepen nietigheid als bedoeld in art. 1373 BW of waarom [verweerder] zich jegens de vennootschap niet te goeder trouw op deze décharge zou kunnen beroepen, ook al zou [verweerder] door voormelde handelingen aan de vennootschap, opzettelijk of onzorgvuldig, nadeel hebben toegebracht. Daarbij verdient aantekening dat het in deze zaak niet gaat om het geval dat schade is geleden door derden, doch uitsluitend om de vraag of de décharge kan worden tegengeworpen aan een vordering van de vennootschap zelf tot schadevergoeding ter zake van het door [verweerder] gevoerde beheer. Tegen deze achtergrond kan geen van de middelen tot cassatie leiden. 3.4 Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft aangenomen dat op de aandeelhoudersvergadering van 25 mei 1983 ook [betrokkene 1] aanwezig was, doch dat het Hof heeft miskend dat deze aanwezigheid door Ellem was betwist. Het middel faalt omdat de eventuele […]”

r.o. 3.3

“Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft aangenomen dat op de aandeelhoudersvergadering van 25 mei 1983 ook [betrokkene 1] aanwezig was, doch dat het Hof heeft miskend dat deze aanwezigheid door Ellem was betwist. Het middel faalt omdat de eventuele aanwezigheid aldaar van [betrokkene 1] zonder belang is. Het gaat in deze zaak immers niet om een vordering van een koper van de aandelen, als door [betrokkene 1] vertegenwoordigd, gegrond op een onjuiste voorstelling omtrent de activa van de vennootschap, maar om een vordering van de vennootschap zelf ter zake van het beheer van [verweerder] . De décharge waarop [verweerder] zich tegenover deze vordering jegens de vennootschap beroept, kon slechts worden gegeven en is blijkens het voorgaande ook rechtsgeldig gegeven door de vergadering van de toenmalige aandeelhouders. Daartoe behoorde toen niet [betrokkene 1] of de koper die door hem vertegenwoordigd werd. 3.5 Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de middelen II en III falen, omdat zij op een rechtsopvatting berusten die met het hiervoor onder 3.3 overwogene niet verenigbaar en derhalve onjuist is, terwijl daarin eveneens besloten ligt dat het Hof tot een juiste uitkomst is gekomen. De vraag of het Hof daarbij steeds een juiste gedachtengang heeft gevolgd, behoeft geen behandeling. 3.6 Het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep behoeft evenmin behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt Ellem in de kosten van het geding in […]”

r.o. 3.4

“Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de middelen II en III falen, omdat zij op een rechtsopvatting berusten die met het hiervoor onder 3.3 overwogene niet verenigbaar en derhalve onjuist is, terwijl daarin eveneens besloten ligt dat het Hof tot een juiste uitkomst is gekomen. De vraag of het Hof daarbij steeds een juiste gedachtengang heeft gevolgd, behoeft geen behandeling. 3.6 Het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep behoeft evenmin behandeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het principale beroep; veroordeelt Ellem in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 756,30 aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren De Groot, Hermans, Verburgh en Boekman en in het openbaar uitgesproken door Mr. Martens op 20 oktober 1989 .”

r.o. 3.5

Gegevens

Bekend als
Ellem Beheer/De Bruin
ECLI
ECLI:NL:HR:1989:AD0915
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
20 oktober 1989
Datum publicatie
22 mei 2023
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 42 van 1989

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.