Hoge Raad · 7 september 1990
Artikel 2:248 BW: curatorvordering tegen bestuurder niet overdraagbaar aan schuldeiser
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een schuldeiser wilde de vordering van de curator op de bestuurder van een failliete BV uit artikel 2:248 BW laten overdragen, om het faillissement open te houden. De Hoge Raad oordeelt dat de aard en het systeem van artikel 2:248 BW zich tegen cessie aan een derde verzetten. De curator oefent die vordering uit voor alle schuldeisers en onder toezicht van de rechter-commissaris. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“Het Hof heeft " [verzoekster] 's cessie-constructie" verworpen op grond van zijn oordeel dat de aard van het in art. 2:248 BW aan de curator verleende vorderingsrecht zich tegen cessie van de vordering aan een ander verzet. Dit oordeel is juist. Teneinde de curator in het faillissement van een vennootschap een sterkere positie te geven tegenover de bestuurders van die vennootschap en het minder moeilijk te maken een bestuurder "die door verwaarlozing van zijn taak het faillissement in de hand heeft gewerkt persoonlijk aan te spreken" (Memorie van Toelichting bij de wet van 16 mei 1986, Stb. 275, Bijl.Hand.II, 1980-1981, 16 631, nr. 3, blz. 1), schept art. 248 in geval van faillissement van een BV een bijzondere aansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling van iedere bestuurder voor de schulden van de vennootschap – voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan – , een aansprakelijkheid jegens de boedel die aanmerkelijk verder gaat dan die voor door eigen gedragingen veroorzaakte schade. Het instellen van de desbetreffende vordering door de curator wordt bovendien vergemakkelijkt door het bewijsvermoeden van lid 2. De waarborg tegen onredelijke consequenties van een en ander ligt in de aan de rechter in lid 4 toegekende matigingsbevoegdheid, alsmede – zoals ook het Hof overweegt – in de omstandigheid dat de curator zijn bevoegdheid uitoefent ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en zulks doet onder toezicht van de […]”
r.o. 3.2
“Onderdeel 2 faalt eveneens. Uitgaande van zijn vaststelling dat de waarde van de aandelen in [B] (ter zake van compensabele verliezen) blijkens de adviezen van de experts afhankelijk is van een groot aantal voorwaarden, heeft het Hof geoordeeld dat [verzoekster] slechts zeer ten dele geslaagd is in het bewijs van zijn stelling dat die aandelen "enige waarde van belang zouden vertegenwoordigen". Daarop voortbouwend heeft het Hof geoordeeld dat de curator in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat in casu voor de boedel geen soulaas te verwachten was van een actie tegen [betrokkene 1] in persoon, mede gelet op de bewerkelijkheid van zulk een actie. Deze oordelen zijn in het licht van de stellingen van partijen niet onbegrijpelijk en behoefden geen nadere motivering. Het onderdeel miskent dat de door [verzoekster] voorgestelde cessie van de vordering na hetgeen het Hof ter zake had geoordeeld, niet meer aan de orde was; dat het in het onderdeel genoemde aanbod van [verzoekster] om de aandelen te kopen voor ƒ 25.000,--, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen, afhankelijk was van voorwaarden waarvan niet vaststond dat daaraan zou worden voldaan; en dat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in de door het onderdeel genoemde, ter zitting van het Hof door de raadsman van [verzoekster] gedane, suggestie dat [verzoekster] de curator financieel in staat zou kunnen stellen de noodzakelijke procedure te voeren, geen onvoorwaardelijk aanbod ter zake heeft gezien. Het onderdeel miskent […]”
r.o. 3.3