← Week 28

Hoge Raad · 9 juli 1990

Sluis

Enquête: dividendbeleid, statutenwijziging en vertegenwoordiging van vennootschap bij verweer

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Aandeelhouders vroegen een enquête naar het beleid van een besloten vennootschap, omdat de organen niet wilden meewerken aan een statutenwijziging die winstuitkering mogelijk moest maken. De Hoge Raad oordeelt dat langdurig uitblijvende dividenduitkering op grond van een statutaire bepaling gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid kan opleveren. Ook bindt een statutair bevoegde bestuurder de vennootschap bij het voeren van verweer zonder bestuursbesluit, behoudens misbruik van bevoegdheid. De zaak wordt verwezen naar de OK.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 2 komt op tegen de overwegingen waarbij de Ondernemingskamer heeft verworpen de stelling van verzoekers dat er geen besluit van de directie van de vennootschap was om het verweerschrift in te dienen, welke stelling volgens de Ondernemingskamer kennelijk ertoe strekte te betogen dat het College geen kennis mocht nemen van het door de vennootschap ingediende verweerschrift. Bij de beoordeling van dit onderdeel dient te worden vooropgesteld dat, indien degenen die een rechtspersoon volgens haar statuten kunnen vertegenwoordigen, namens die rechtspersoon een rechtshandeling verrichten, deze handeling als rechtshandeling van de rechtspersoon geldt, ook als de statutair aangewezen vertegenwoordigers aldus in strijd zouden hebben gehandeld met een binnen de interne verhoudingen van de rechtspersoon geldende regel om een dergelijke rechtshandeling slechts te verrichten op grond van een - geldig tot stand gekomen - bestuursbesluit. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien onder de omstandigheden van het geval de statutair aangewezen vertegenwoordigers, door hun bevoegdheid uit te oefenen zonder een daaraan ten grondslag liggend - rechtsgeldig tot stand gekomen - bestuursbesluit, jegens de wederpartij van de rechtspersoon misbruik van die bevoegdheid zouden maken. Het vorenstaande brengt mede dat, nu de Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat de twee directeuren ingevolge de statuten van de vennootschap ieder bevoegd zijn om alléén de vennootschap in en buiten rechte te […]”

r.o. 3.2

“Onderdeel 3 richt zich tegen de overwegingen op grond waarvan de Ondernemingskamer het verzoek heeft afgewezen. Voorzover deze overwegingen aldus moeten worden verstaan dat naar het oordeel van de Ondernemingskamer het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is omdat het niet betrekking heeft op het beleid van de vennootschap, doch op het gedrag van een individuele aandeelhouder, treft het onderdeel doel. In zoverre toch heeft de Ondernemingskamer miskend dat - naar het inleidend verzoekschrift buiten twijfel stelt - verzoekers het door hen gestelde wanbeleid hierin gelegen achten dat de directie van de vennootschap hun voorstel tot wijziging van de statuten niet heeft willen steunen en de algemene vergadering van aandeelhouders dat voorstel heeft verworpen. Het gestelde wanbeleid heeft derhalve, anders dan de Ondernemingskamer blijkbaar aanneemt, betrekking op gedragingen van organen van de vennootschap. Voor zover de bestreden beschikking moet worden verstaan in die zin dat de afwijzing van het verzoek mede berust op de opvatting dat gedragingen als door verzoekers aan de vennootschap verweten, nimmer wanbeleid in de zin van de wet kunnen opleveren, treft het onderdeel evenzeer doel. Daargelaten of zich het geval voordoet bedoeld in artikel 2:343 lid 1 BW, kan van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen - een en ander in de zin van artikel 2:350 lid 1 - onder omstandigheden niet alleen sprake zijn indien de vennootschap gedurende een aantal jaren, zonder dat het […]”

r.o. 3.3

“Het middel treft derhalve doel en de beschikking van de Ondernemingskamer kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen opdat de Ondernemingskamer kan beslissen of het door verzoekers gestelde gegronde redenen oplevert om aan een juist beleid van de vennootschap te twijfelen. 4. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 1989; verwijst het geding naar de Ondernemingskamer van dat Hof ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt de vennootschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verzoekers begroot op f 400, -- aan verschotten en f 2.000, -- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de president Royer en de raadsheren Jansen, Baardman, Bellaart en Korthals Altes, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Jeukens op 9 juli 1990, in tegenwoordigheid van de substituut griffier Sillevis Smitt-Mülder.”

r.o. 3.4

Gegevens

Bekend als
Sluis
ECLI
ECLI:NL:HR:1990:AC0960
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 juli 1990
Datum publicatie
1 oktober 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:343 BW, 2:345 BW, 2:350 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 28 van 1990

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.