← Week 2

Hoge Raad · 10 januari 1990

OGEM Holding

Enquête Ogem: ontvankelijkheid cassatie, doeleinden enquête en begrip wanbeleid

  • Enquêterecht
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Na een enquête bij een inmiddels failliete holding stelde de OK wanbeleid vast op meerdere punten. De Hoge Raad oordeelt dat ook gehoorde oud-bestuurders en oud-commissarissen in cassatie kunnen komen, dat vaststelling van wanbeleid zonder voorzieningen mogelijk is, ook bij faillissement, en dat wanbeleid geen structureel karakter of persoonlijke verwijtbaarheid vereist. Alleen het oordeel over de presentatie van projectontwikkeling in de jaarrekeningen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Kernoverwegingen

“Hoewel de tekst van artikel 2:359 BW steun lijkt te bieden voor de opvatting dat dit artikel derogeert aan de algemeen luidende bepaling van artikel 426 lid 1 Rv, bevat de ontstaansgeschiedenis van eerstgenoemde bepaling geen enkele aanwijzing dat de wetgever beoogd heeft om aan belanghebbenden die door de Ondernemingskamer overeenkomstig artikel 429f lid 1 Rv zijn opgeroepen en vervolgens gehoord, of die op de voet van artikel 429h lid 1 Rv een verweerschrift hebben ingediend, doch niet in artikel 2:359 BW zijn genoemd, de mogelijkheid van beroep in cassatie te onthouden. Dat de wetgever die bedoeling zou hebben gehad is niet aannemelijk mede gelet op de voorzieningen die de Ondernemingskamer ingevolge artikel 2:359 BW in geval van gebleken wanbeleid kan treffen. In de opvatting dat artikel 2:359 BW derogeert aan artikel 426 lid 1 Rv, zou immers aan bestuurders of commissarissen die met toepassing van artikel 2:356 BW door de Ondernemingskamer zijn geschorst of ontslagen, geen beroep tegen de desbetreffende beschikking toekomen. Voorts pleit het beginsel van ‘’equality of arms’’, dat besloten ligt in de eis van een ‘’fair hearing’’ als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM ten gunste van een interpretatie van de betrokken wetsbepalingen in die zin dat aan diegenen die in de vorige instantie zijn verschenen in de zin van artikel 426 lid 1 Rv en tegen het verzoek verweer hebben gevoerd, beroep in cassatie toekomt. Met voormeld beginsel zou immers niet stroken dat, terwijl aan de […]”

r.o. 3.3

“Verzoekers hebben tegen de beschikking van de Ondernemingskamer dertien middelen van cassatie voorgesteld, genummerd van II tot en met XIV. Hiervan lenen de middelen II tot en met V alsmede XIV zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van deze middelen moet worden vooropgesteld dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquête-recht, zoals deze is neergelegd in boek 2 BW, als doeleinden van een enquête niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Dit brengt mede dat het de Ondernemingskamer vrijstaat om in voorkomende gevallen te volstaan met de uitspraak dat gebleken is van wanbeleid bij de betrokken rechtspersoon, zonder tevens een of meer van de in artikel 2:356 BW genoemde voorzieningen te treffen, en dat er derhalve geen grond is om aan te nemen dat de Ondernemingskamer zich van ieder oordeel zou moeten onthouden, indien de rechtspersoon surseance van betaling heeft verkregen of in staat van faillissement is verklaard en sanering of herstel van gezonde verhoudingen niet meer tot de mogelijkheden behoort. 4.2. Uit het vorengaande vloeit voort dat het […]”

r.o. 4.1

“[verzoeker 5] , wonende te [woonplaats] , 6. [verzoeker 6] , wonende te [woonplaats] , 7. [verzoeker 7] , wonende te [woonplaats] , 8. [verzoeker 8] , wonende te [woonplaats] , verzoekers tot cassatie, incidenteel verweerders, advocaat: Mr. A.G. Maris, tegen de procureur-generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam, verweerder, tegen 1. [verweerder 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [verweerster 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [verweerder 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [verweerder 4] , wonende te [woonplaats] , 5. de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Effectenbescherming, thans geheten Vereniging van Effectenbezitters, verweerders, incidenteel verzoekers tot cassatie, advocaat: Mr. E.D. Vermeulen, tegen 1. Mr. David Adolf Slager, wonende te [woonplaats] , en 2. Mr. drs. Henry Petrus Johannes Ophof, wonende te [woonplaats] , in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van Ogem Holding N.V., mede-verweerders, incidenteel verzoekers tot cassatie, advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth. 1. Het geding in feitelijke instantie Nadat ten verzoeke van verweerders in cassatie 1 tot en met 5 — hierna te noemen [verweerders] — bij beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 december 1983 ingevolge artikel 2:345 BW een onderzoek was gelast naar het beleid en de gang van zaken bij Ogem Holding N.V. — hierna aan te duiden als Ogem —, vervolgens bij beschikking van de Ondernemingskamer van 3 mei 1984 drie personen — hierna aan te duiden als […]”

r.o. 5

Gegevens

Bekend als
OGEM Holding
ECLI
ECLI:NL:HR:1990:AC1234
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
10 januari 1990
Datum publicatie
29 januari 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:345 BW, 2:355 BW, 2:356 BW, 2:359 BW, 2:346 BW, 2:347 BW, 2:319 BW, 2:320 BW, 2:391 BW, 2:392 BW
Thema
Enquêterecht, Jaarrekening
Weekoverzicht
Week 2 van 1990

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.