← Week 9

Hoge Raad · 28 februari 1992

Redelijk belang bij vernietiging ledenvergaderingsbesluit vereniging, artikel 2:11 (oud) BW

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een lid van een vereniging wilde een besluit van de algemene ledenvergadering vernietigen om een overeenkomst met kabelexploitanten aan te tasten. De Hoge Raad bevestigt dat een redelijk belang in de zin van artikel 2:11 (oud) BW ontbreekt, omdat vernietiging van het besluit de geldigheid van die overeenkomst onaangetast laat. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Kernoverwegingen

“De onderdelen 2.2 en 2.3 strekken ten betoge dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van het begrip redelijk belang in art. 2:11 (oud) lid 2 BW. Dat betoog faalt. Het Hof heeft met de Rechtbank geoordeeld dat [eiser] geen redelijk belang heeft bij vernietiging van het besluit van 9 juni 1986 nu ook in geval van vernietiging van dit besluit de geldigheid van de kabelovereenkomst - waartegen de bezwaren van [eiser] zich richten - onaangetast blijft. Met het oordeel dat aldus niet voldaan is aan de eis van een redelijk belang heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip redelijk belang als bedoeld in voormelde bepaling. 3.4 De in subonderdeel 2.4 vervatte klacht faalt omdat deze zich richt tegen een overweging ten overvloede. Subonderdeel 2.5 bevat geen zelfstandige klacht. 3.5 Subonderdeel 3.1 is eveneens tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank heeft overwogen dat het enige gevolg van het niet verlenen van décharge aan het bestuur is, dat de bestuursleden aansprakelijk blijven voor het door hen gevoerde beleid. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dit aldus heeft opgevat dat de Rechtbank zich heeft uitgelaten over het rechtsgevolg van het meerbedoelde besluit en niet over de effecten die een zodanig besluit zou kunnen hebben op het bestuursbeleid. 3.6 Subonderdeel 3.2 treft evenmin doel. Het door [eiser] gestelde belang is dat de geldigheid van de kabelovereenkomst wordt aangetast. Nu het Hof heeft […]”

r.o. 3.3

“Subonderdeel 3.1 is eveneens tevergeefs voorgesteld. De Rechtbank heeft overwogen dat het enige gevolg van het niet verlenen van décharge aan het bestuur is, dat de bestuursleden aansprakelijk blijven voor het door hen gevoerde beleid. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dit aldus heeft opgevat dat de Rechtbank zich heeft uitgelaten over het rechtsgevolg van het meerbedoelde besluit en niet over de effecten die een zodanig besluit zou kunnen hebben op het bestuursbeleid. 3.6 Subonderdeel 3.2 treft evenmin doel. Het door [eiser] gestelde belang is dat de geldigheid van de kabelovereenkomst wordt aangetast. Nu het Hof heeft geoordeeld en in cassatie niet is bestreden, dat bij toewijzing van de vordering de geldigheid van de kabelovereenkomst onaangetast blijft, is het niet onbegrijpelijk dat het met betrekking tot de achtste grief heeft overwogen dat de Rechtbank niet tot taak had buiten het gestelde rechtsbelang materiële belangen af te wegen. Het Hof was niet tot een nadere motivering gehouden. 3.7 . Voor zover onderdeel 4 ervan uitgaat dat in 's Hofs arrest besloten ligt dat het besluit van de algemene vergadering zelf op enigerlei wijze in strijd moet komen met de statuten, wil [eiser] belang hebben bij vernietiging van een besluit op grond van art. 2:11 lid 1, mist het feitelijke grondslag, omdat die opvatting niet in 's Hofs arrest besloten ligt. Ook overigens faalt het onderdeel. Anders dan het onderdeel betoogt, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft overwogen […]”

r.o. 3.5

“. Voor zover onderdeel 4 ervan uitgaat dat in 's Hofs arrest besloten ligt dat het besluit van de algemene vergadering zelf op enigerlei wijze in strijd moet komen met de statuten, wil [eiser] belang hebben bij vernietiging van een besluit op grond van art. 2:11 lid 1, mist het feitelijke grondslag, omdat die opvatting niet in 's Hofs arrest besloten ligt. Ook overigens faalt het onderdeel. Anders dan het onderdeel betoogt, is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft overwogen dat niet of onvoldoende duidelijk wordt aangegeven waarom het besluit van de algemene vergadering niet met de statutaire doelstelling zou zijn te verenigen. Het Hof heeft zijn oordeel dienaangaande ook voldoende met redenen omkleed. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op heden aan de zijde van Buma begroot op f 457,20 aan verschotten en f 2.500, -- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 28 februari 1992 .”

r.o. 3.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:1992:AD1631
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
28 februari 1992
Datum publicatie
9 januari 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:11 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
["n.v.t."]
Weekoverzicht
Week 9 van 1992

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.