Hoge Raad · 11 juni 1993
Brens q.q./Sarper
Bestuurdersaansprakelijkheid: te late publicatie jaarrekening onbelangrijk verzuim; administratieplicht
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in een faillissement vorderde op grond van artikel 2:248 BW dat twee bestuurders hoofdelijk het tekort in het faillissement zouden bijdragen, omdat de jaarrekeningen te laat waren gedeponeerd en de administratie ontoereikend zou zijn. De Hoge Raad oordeelt dat een overschrijding van de publicatietermijn die het gevolg is van het ontbreken van een geldig besluit tot verlenging van de opmaaktermijn, buiten beschouwing blijft bij de beoordeling van een onbelangrijk verzuim. Ook de administratie voldeed aan de wettelijke eis. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverwegingen
“De Hoge Raad zal eerst de onderdelen a en b van middel II behandelen. Deze onderdelen voeren rechts- en motiveringsklachten aan tegen het oordeel van het Hof (rov. 4.5, eerste zin, in verbinding met rov. 4.4) dat de algemene vergadering van aandl- houders van de vennootschap impliciet heeft besloten tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarre- keningen over 1984, 1985 en 1986. De klachten komen - terecht - niet op tegen het in de tweede zin van 's Hofs rov. 4.5 besloten liggende oordeel dat, indien wordt aangenomen dat op de voet van art. 2:210 lid 1 een besluit tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met zes maanden is genomen, sprake is van een onbelangrijk verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2, laatste zin, aangezien de jaarrekeningen dan "slechts enkele dagen te laat gedeponeerd" zijn. Aan de klachten ligt dan ook kennelijk de opvatting ten grondslag dat, indien géén verlengingsbesluit is genomen, de voor de openbaarmaking voorgeschreven termijn zo aanzienlijk is overschreden dat van een onbelangrijk verzuim in voormelde zin niet kan worden gesproken.Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Bij de beantwoording van de vraag of een niet tijdig voldoen aan de in art. 2:394 neergelegde publicatieverplichting al dan niet een onbelangrijk verzuim als vorenbedoeld oplevert, moet in aanmerking worden genomen dat de ingrijpende bepaling van art. 2:248 lid 2, eerste zin, haar rechtvaardiging vindt in het belang dat crediteuren […]”
r.o. 3.3
“Onderdeel c van middel II komt tevergeefs op tegen 's Hofs oordeel (rov. 4.6 en 4.7) dat is voldaan aan de eisen die art. 2:14 lid 1 (oud) stelt. Die bepaling regelt niet op welke wijze de administratie van de rechtspersoon dient te worden ingericht en volstaat met de eis dat zodanige aantekeningen worden gehouden dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon "kunnen worden gekend". In de laatste alinea van rov. 4.6 heeft het Hof overwogen dat de administratie van de vennootschap zodanig was dat men "snel inzicht kan krijgen debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment" en dat "deze posities en stand van de liquiditeiten, gezien aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie". Door op grond van deze - op zichzelf in cassatie niet bestreden - overwegingen te oordelen dat aan de eisen van art. 2:14 lid 1 is voldaan, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan 's Hofs oordeel in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard; in het licht van de gedingstukken is het niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, […]”
r.o. 3.5