Hoge Raad · 10 maart 1995
Janssen Pers
Aandeelhoudersbesluiten enig aandeelhouder: ontslag bestuurder, intrekking emissie en redelijkheid en billijkheid
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
In kort geding gaat het om besluiten van een enig aandeelhouder die eerder genomen emissie- en statutenwijzigingsbesluiten intrekken en de bestuurder ontslaan, nadat een voormalige bestuurder onverwacht weer de zeggenschap had teruggekregen. De Hoge Raad oordeelt dat een besluit van de enige aandeelhouder buiten vergadering slechts schriftelijke vastlegging vereist. Het weglaten van de verplichte raadpleging van het bestuur bij ontslag is niet gerechtvaardigd. Het hof had bovendien de omstandigheden bij de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW niet mogen negeren. Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen.
Kernoverwegingen
“Middel I is gericht tegen 's Hofs voorlopig oordeel (rov. 4.8.6) dat de "Besluiten A en B" - waarmee het Hof klaarblijkelijk bedoelt: de hiervoor in 3.1 onder (xiii) vermelde, bij notariële akten vastgelegde rechtshandelingen - geen rechtsgeldigheid hebben omdat, naar het Hof vooralsnog aannam, de hiervoor in 3.1 onder (xi) vermelde besluiten "geacht moeten worden eerder tot stand te zijn gekomen". Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat geen klacht - strekt ten betoge dat laatstgenoemde besluiten van [verweerster 2] als aandeelhoudster van [eiseres 1] slechts geacht kunnen worden eerder tot stand te zijn gekomen dan eerstvermelde rechtshandelingen, indien zij "de vennootschap", - het onderdeel bedoelt kennelijk het bestuur van de vennootschap - hebben bereikt vóór het tot stand komen van die rechtshandelingen. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard, aangezien art. 2:238 voor de besluitvorming van de aandeelhouders buiten vergadering - indien volgens de eerste zin van het artikel toegelaten - niet meer eist dan dat de aandeelhouders met algemene stemmen besluiten en hun stem schriftelijk uitbrengen, hetgeen in het geval van besluiten genomen door de enige aandeelhouder - zoals hier verondersteld - betekent dat voldoende is dat diens besluit schriftelijk wordt vastgelegd. 3.3.2 Ook de in de onderdelen 3 en 4 opgeworpen rechtsklachten gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting. Indien een op zichzelf rechtsgeldig besluit van de enige aandeelhouder inhoudt dat […]”
r.o. 3.3.1
“Ook de in de onderdelen 3 en 4 opgeworpen rechtsklachten gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting. Indien een op zichzelf rechtsgeldig besluit van de enige aandeelhouder inhoudt dat eerder genomen besluiten tot statutenwijziging en uitgifte van aandelen worden ingetrokken, staat dat intrekkingsbesluit in de weg aan de geldigheid van rechtshandelingen strekkende tot uitvoering van die ingetrokken besluiten, ook indien de beoogde verkrijgers van die aandelen en/of degenen die de vennootschap bij die rechtshandelingen vertegenwoordigen, nog niet van het intrekkingsbesluit op de hoogte zijn. In het midden kan blijven welke rechtsgevolgen een dergelijke gang van zaken heeft in de verhouding tussen de vennootschap en de beoogde verkrijgers. Voor zover onderdeel 5 voortbouwt op de voorgaande onderdelen, moet het daarvan het lot delen. Voor het overige klaagt het onderdeel over onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel (rov. 4.8.6, laatste zinsnede) dat aan de rechtsgeldigheid van de statutenwijziging en uitgifte eveneens getwijfeld moet worden in het licht van hetgeen het Hof in rov. 4.9.4 overweegt. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat zij is gericht tegen een door het Hof kennelijk ten overvloede gegeven oordeel, wat daarvan overigens zij. 3.3.3 Onderdeel 6 klaagt over onbegrijpelijkheid van 's Hofs voorlopig oordeel dat de besluiten van [verweerster 2] geacht moeten worden eerder tot stand te zijn gekomen dan de op 2 maart 1993 gepasseerde akten van statutenwijziging en […]”
r.o. 3.3.2
“Middel III keert zich tegen 's Hofs rov. 4.9.4, waarin het Hof het beroep van [eisers] op nietigheid van het aandeelhoudersbesluit tot ontslag van [eiser 6] als directeur van [eiseres 1] verwerpt. Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen klacht - strekt ten betoge dat het Hof op ondeugdelijke gronden het beroep op het bepaalde in art. 2:227 lid 4 ongegrond heeft geoordeeld. Het onderdeel treft doel. Ook al zou, zoals het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, [verweerder 1] ervan hebben, kunnen uitgaan dat het raadplegen van [eiser 6] slechts ertoe zou leiden dat [eiser 6] zijnerzijds zou trachten alsnog de statutenwijziging en de emissie te effectueren, dan rechtvaardigde dit nog niet het achterwege laten van de door art. 227 lid 4 dwingend voorgeschreven raadpleging van het bestuur van de vennootschap. 3.5.2 Ook onderdeel 3 is gegrond. Het Hof heeft in rov. 4.9.4 miskend dat [eisers] met hun beroep op art. 2:8 de vennootschapsrechtelijke vraag aan de orde hebben gesteld of het ontslag van [eiser 6] als bestuurder van [eiseres 1] aan nietigverklaring blootstaat wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die bij de totstandkoming van het besluit in acht moesten worden genomen. De door het Hof aan de arbeidsrechtelijke verhouding tussen [eiser 6] en de vennootschap gewijde overweging draagt niet bij aan de beantwoording van die vraag. Onderdeel 4 kan onbesproken blijven. 3.6.1 Onderdeel 1 van middel IV gaat ervan uit dat de President het bepaalde in art. 3:44 […]”
r.o. 3.5.1