Hoge Raad · 28 juni 1996
Ontvanger ontvankelijk in onrechtmatige-daadvordering tegen kopers van leeggehaalde kasgeldvennootschappen
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De Ontvanger vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad van kopers die vennootschappen leeghaalden en doorverkochten, waardoor belastingschulden niet meer te innen waren; daarbij werd gehandeld in strijd met de regels over financiële steunverlening bij aandelenkoop. De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger op grond van het open systeem van de Invorderingswet 1990 bevoegd en ontvankelijk is in zo'n vordering. Het arrest wordt vernietigd en de zaak verwezen.
Kernoverwegingen
“In cassatie moet veronderstellenderwijs worden uitgegaan van het volgende. (i) Veruit de belangrijkste activiteit van de M-groep is de handel in kasgeld- en vervangingsreserve-vennootschappen. De activa van deze vennootschappen bestaan uit liquide middelen en rekening-courantvorderingen op de oude aandeelhouders. De passiva van deze vennootschappen bestaan in de meeste gevallen, in de bewoordingen van het Hof, "uit eigen vermogen, al dan niet opeisbare belastingschulden en, in een substantieel aantal gevallen, uit een vervangingsreserve als bedoeld in artikel 14 Wet op de Inkomstenbelasting 1964". (ii) Een rekening-courantvordering op de oude aandeelhouders wordt door de M-groep bij de aankoop van een vennootschap direct verrekend met de koopprijs. Na de aankoop van een vennootschap worden de liquide middelen uit de vennootschap gehaald en door de M-groep schuldig gebleven. De M-groep betaalt de koopprijs van aandelen aan de verkoper met het geld dat zij uit de vennootschap heeft gehaald. Aldus handelt de M-groep in strijd met art. 2:98c en 2:207c BW. (iii) Het voornemen van de M-groep is erop gericht de gekochte vennootschap binnen zeer korte tijd met grote winst door te verkopen aan een vaste afnemer. De M-groep zorgt ervoor dat de vennootschap gedurende de periode dat zij aandeelhouder is, geen belastingschulden van enige omvang behoeft te betalen.De afnemer van de M-groep betaalt de koopprijs voor de aankoop van de aandelen door, wederom in weerwil van art. 2:98c en […]”
r.o. 3.1
“Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep bestrijdt het oordeel van het Hof dat de Ontvanger in zijn vordering ontvankelijk is, met het betoog dat de vordering van de Ontvanger niet dient ter invordering van door de verhandelde vennootschappen verschuldigde rijksbelastingen, en dat de Ontvanger zijn vordering ook niet baseert op een rechtstreeks uit een rechtshandeling van de M-groep of een wettelijke regeling voortvloeiende aansprakelijkheid van de M-groep voor die belastingschulden of een hem toekomend bijzonder verhaalsrecht, doch uitsluitend op een door hem gesteld onrechtmatig handelen van de M-groep. Tot het instellen van een dergelijke vordering is, aldus het onderdeel, de Ontvanger niet bevoegd. Vooropgesteld moet worden dat de ontvanger bevoegd is in rechte op te treden in "alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak" (art. 3 lid 3 Invorderingswet 1990, hierna mede aan te duiden als: Iw 1990), welke taak bestaat in de invordering van de rijksbelastingen. Van belang is hierbij dat in art. 3 lid 2 Iw 1990, in tegenstelling tot hetgeen ingevolge de voorheen geldende Invorderingswet gold, een "open systeem" is neergelegd, inhoudende dat de ontvanger de bevoegdheden van een schuldeiser heeft, en daarenboven beschikt over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden. Uit de formulering van deze bepaling - "bevoegdheden die een schuldeiser heeft op grond van enige andere wettelijke bepaling" - volgt dat de begrenzing slechts […]”
r.o. 3.3.1
“De omstandigheid dat de vordering van de Ontvanger niet strekt tot directe of indirecte invordering van de belastingschulden van de vennootschappen, neemt niet weg dat, voor zover de M-groep de voormelde door de Ontvanger geleden schade vergoedt, die belastingschulden tenietgaan. Die schade bestaat immers uit de bedragen ten aanzien waarvan de Ontvanger als gevolg van de gedragingen van de M-groep is beroofd van de mogelijkheid om die belastingschulden in te vorderen, met name door voor die belastingschulden op die vennootschappen verhaal te nemen. Het afdwingen van vergoeding ter zake van zodanig gederfd verhaal dient, voor wat betreft de gevolgen met betrekking tot die belastingschulden, gelijk te worden gesteld met op die vennootschappen zelf genomen verhaal, hetgeen leidt tot (overeenkomstige) toepassing van art. 3:297 BW. Daarbij verdient nog slechts aantekening dat vergoeding van schade als de onderhavige door een derde die op dezelfde wijze als de M-groep onrechtmatig handelde, in het algemeen zal leiden tot een regresvordering van die derde op de belastingplichtige, welke vordering van belang kan worden in het niet bij voorbaat geheel uit te sluiten geval dat de belastingplichtige naderhand toch nog enig verhaal blijkt te bieden, afhankelijk zal zijn van hun onderlinge verhouding en zonodig kan worden gegrond op art. 6:212 BW. Het voorgaande brengt mee dat - zoals het Hof met juistheid heeft geoordeeld - de Ontvanger in geval van veroordeling van de M-groep de te […]”
r.o. 3.5.3