Hoge Raad · 11 september 1996
Uitkoop artikel 2:92a BW: maatstaf prijsvaststelling aandelen en cassatie na verstek
- Uitkoop
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
De houder van vrijwel alle aandelen in een vennootschap start een uitkoopprocedure op grond van artikel 2:92a BW, waarna de OK de prijs vaststelt mede aan de hand van de beurskoers en de ruilverhouding uit een eerder omwisselingsbod. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever geen bepaald waardebegrip voorschrijft en dat niet uitsluitend van de intrinsieke waarde hoeft te worden uitgegaan. Ook een beroep op de Grondwet en het Eerste Protocol bij het EVRM slaagt niet. Daarnaast kan een niet-verschenen gedaagde samen met de verschenen gedaagde in cassatie gaan.
Kernoverwegingen
“Beoordeling van de ontvankelijkheid in cassatie van [eiser 2] Behalve [eiseres 1] [eisers] is voor de Ondernemingskamer geen van de gedaagden verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Anders dan art. 79 lid 1 Rv voorschrijft, is de zaak ten opzichte van de verschijnenden niet aangehouden, is de verstekverlening niet aan de niet-verschenen gedaagden betekend, en zijn zij ook niet opnieuw opgeroepen. Dit heeft tot gevolg dat de uitspraak van de Ondernemingskamer niet tussen al de partijen als op tegenspraak gewezen kan worden beschouwd, hetgeen betekent dat voor [eiser 2] het rechtsmiddel van verzet heeft opengestaan. Ingevolge art. 401b lid 1 Rv kan de niet-verschenen partij tegen een bij verstek gewezen uitspraak geen beroep in cassatie instellen. Het tweede lid van art. 401b bepaalt evenwel dat zij, indien een der andere partijen beroep in cassatie instelt, bij de Hoge Raad verweer kan voeren en zelfs incidenteel beroep kan instellen. Maakt zij van deze bevoegdheid gebruik, dan vervalt, indien daartoe de termijn nog zou openstaan, ingevolge het bepaalde in art. 401c lid 1 de mogelijkheid tot het doen van verzet. Gelet op genoemde bepalingen brengt een redelijke wetstoepassing mee in een geval als het onderhavige, waarin een wél verschenen gedaagde beroep in cassatie instelt, aan een niet-verschenen gedaagde eveneens de bevoegdheid te geven te zamen met de wél verschenen gedaagde beroep in cassatie in te stellen. Art. 401b lid 2 Rv gaat immers ervan uit dat, indien door een […]”
r.o. 3
“Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot wetsontwerp 18 904, (totstandkoming van de uitkoopregeling) blijkt wel dat de wetgever ervan uitging dat aan de uitgekochte aandeelhouder een reële en redelijke vergoeding zou worden toegekend, maar niet dat de wetgever voor de vaststelling van de waarde van aandelen in een uitkoopprocedure een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling voor ogen heeft gestaan. De Ondernemingskamer behoefde dan ook niet uit te gaan van uitsluitend de intrinsieke waarde van de aandelen. Voor de berekening van de waarde van beursgenoteerde aandelen bij een going concern is daar te minder reden voor, omdat in dat geval niet is te verwachten dat de intrinsieke waarde een meer objectieve indicatie van de waarde van het vermogen van de vennootschap geeft dan de beurskoers. Voorts gaat zij niet van een kennelijk onredelijk standpunt uit wanneer zij voor de waardebepaling aansluiting wil zoeken bij de beurskoers van de aandelen Nat.N begin 1991 en bij de ruilverhouding blijkende uit het openbare bod van 28 januari 1991. De beurskoers mag immers in het algemeen gezien worden als een objectieve waarderingsmethode van ter beurze genoteerde aandelen, terwijl niet in geschil is dat de ruilverhouding, zoals verdisconteerd in het omwisselingsbod, een juiste afspiegeling liet zien van de waarde van de bij de fusie betrokken ondernemingen. Het middel verwijt de Ondernemingskamer dan ook ten onrechte een onjuiste maatstaf te hebben toegepast […]”
r.o. 4.3.1
“De in het middel geuite klacht dat volgens de Ondernemingskamer de waarde zou zijn af te leiden uit een beurskoers die te ver in het verleden ligt en die thans een te lage prijs zou laten zien, treft geen doel. De Ondernemingskamer heeft de prijs uiteindelijk niet bepaald per 1 maart 1991, maar per 1 december 1994, daarbij aanknopend bij de beurskoers van aandelen ING en een fictieve koers van aandelen INV. Overigens is de Ondernemingskamer vrij om in redelijkheid het tijdstip te bepalen waarop de prijs zal worden vastgesteld. 4.4. Voor zover het middel de Ondernemingskamer verwijt de prijs te hebben vastgesteld overeenkomstig het voorstel van ING en zonder te zijn ingegaan op de wezenlijke stellingen van [eiseres 1] [eisers], mist het feitelijke grondslag. Met name in overweging 3.4 van haar uitspraak geeft de Ondernemingskamer op voldoende wijze aan waarom de stellingen van [eiseres 1] [eisers] niet worden gevolgd. Evenmin onbegrijpelijk is het — op waarderingen van feitelijke aard gebaseerde — oordeel van de Ondernemingskamer dat de uitlating van de Raad van Bestuur van Nat.N dat de waarde per aandeel zeker boven de ƒ 100,- zou liggen, niet bepalend is. Zoals volgt uit hetgeen hiervóór in 4.3.1 is overwogen, geeft dit oordeel ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 4.5. Voor zover het middel strijdigheid constateert tussen de uitkoopregeling met de daarbij behorende prijsvaststelling en art. 14 van de Grondwet, miskent het dat de rechter, derhalve ook de Hoge […]”
r.o. 4.3.2