← Week 20

Hoge Raad · 19 mei 1999

Verhaal enquêtekosten door curator op individuele commissaris: artikel 2:354 BW

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Enquêterecht
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator wil de kosten van een enquête op grond van artikel 2:354 BW verhalen op voormalige bestuurders en commissarissen van de failliete vennootschap. De OK wijst dit toe op basis van een algemeen vermoeden van verantwoordelijkheid. De Hoge Raad oordeelt dat uit het onderzoeksverslag individueel en concreet moet blijken dat de commissaris verantwoordelijk is voor onjuist beleid. Hij vernietigt de beschikking voor zover het de commissaris betreft en verwijst voor nader feitelijk onderzoek.

Kernoverwegingen

“De door het eerste middel bestreden overwegingen (3.1 tot en met 3.3) met betrekking tot de vraag of de voorwaarde van de curator in vervulling is gegaan, moeten aldus worden verstaan dat aan het feit dat de kosten van het onderzoek zijn voldaan het vermoeden kan worden ontleend dat deze kosten voor rekening van [A] N.V. zijn gekomen, nu aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Daarbij kan in het midden blijven of [A] N.V. deze kosten zelf heeft voldaan of door een ander heeft laten betalen. Ook in het laatster geval immers heeft die betaling te gelden als de voldoening van een schuld van [A] N.V. Aldus verstaan geeft het oordeel van de Ondernemingskamer niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het oordeel van de Ondernemingskamer ligt verder besloten het oordeel dat de curator voldoende feiten heeft gesteld waaruit voormeld vermoeden kan volgen. Laatstbedoeld oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk (waarbij in aanmerking kan worden genomen dat het gaat om een bedrag van ƒ 30.000,-- vermeerderd met, anders dan het middel vooronderstelt, 18,55 omzetbelasting is precies ƒ 35.500,--) en kan derhalve in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het eerste middel faalt. 3.4 Het tweede middel neemt terecht tot uitgangspunt dat op grond van het bepaalde in artikel 2:354 B.W. uit het verslag van de onderzoeker ten aanzien van [verzoeker] individueel en concreet moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor een onjuist beleid en dat daartoe de algemene […]”

r.o. 3.3

“Het tweede middel neemt terecht tot uitgangspunt dat op grond van het bepaalde in artikel 2:354 B.W. uit het verslag van de onderzoeker ten aanzien van [verzoeker] individueel en concreet moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor een onjuist beleid en dat daartoe de algemene conclusie dat de leden van de raad van commissarissen moeten hebben geweten van het geconstateerde wanbeleid niet voldoende is. Die bepaling verlangt immers dat de verantwoordelijkheid van een individuele commissaris voor een onjuist beleid uit het verslag blijkt. Die verantwoordelijkheid kan daarom niet worden aangenomen op grond van een algemeen vermoeden dat door de betrokkene moet worden weerlegd, zoals de Ondernemingskamer blijkens punt 4.10 van haar beschikking heeft gedaan. 3.5 uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Nu de Ondernemingskamer in rov. 4.11 twee concrete omstandigheden heeft vermeld waaruit zou kunnen volgens dat [verzoeker] persoonlijk verantwoordelijk is voor onjuist beleid, rijst de vraag of beide omstandigheden voldoende uit het verslag blijken en een beslissing als door de curator verzocht, rechtvaardigen. Dat vereist een nader feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is, zodat verwijzing moet volgen. 3.6 Op gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.8.2 en 1.8.3, slaat de Hoge Raad geen acht op het cassatieschriftuur van de belanghebbenden [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] . 4. […]”

r.o. 3.4

“uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Nu de Ondernemingskamer in rov. 4.11 twee concrete omstandigheden heeft vermeld waaruit zou kunnen volgens dat [verzoeker] persoonlijk verantwoordelijk is voor onjuist beleid, rijst de vraag of beide omstandigheden voldoende uit het verslag blijken en een beslissing als door de curator verzocht, rechtvaardigen. Dat vereist een nader feitelijk onderzoek, waarvoor in cassatie geen plaats is, zodat verwijzing moet volgen. 3.6 Op gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.8.2 en 1.8.3, slaat de Hoge Raad geen acht op het cassatieschriftuur van de belanghebbenden [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] . 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van 19 juni 1997 voorzover deze betrekking heeft op [verzoeker] ; verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam; veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op ƒ 520,-- aan voorschotten en op ƒ 3.000,-- voor salaris. Deze beschikking is gegeven door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van Brunschot, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens en door de raadsheer Korthals Altes uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 1999 .”

r.o. 3.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:1999:2
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
19 mei 1999
Datum publicatie
19 maart 2024
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:354 BW
Thema
Enquêterecht, Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 20 van 1999

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.