Hoge Raad · 19 mei 1999
Curator van failliete moeder bevoegd enquête te verzoeken bij failliete dochters
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator van een failliete houdstermaatschappij verzoekt de OK een enquête te gelasten bij haar eveneens failliete dochtervennootschappen. De Hoge Raad oordeelt dat de curator van de moeder daartoe bevoegd is, omdat het verzoek een daad van beheer van een vermogensbestanddeel (de aandelen) is. De voorafgaande schriftelijke kennisgeving van bezwaren mag bij een failliete vennootschap aan de curator worden gedaan.
Kernoverwegingen
“Beoordeling van het incidentele beroep, tevens beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale beroep Het in het incidentele beroep voorgedragen middel bestrijdt het oordeel van de Ondernemingskamer dat de bestuurders van de Nederlandse dochters bevoegd zijn om deze failliete vennootschappen verwerend te vertegenwoordigen in de door de curator van Beheer tegen de dochters bij de Ondernemingskamer aanhangig gemaakte enquêteprocedure. Het middel kan niet slagen. Het gaat in die procedure om andere rechtsvorderingen dan de in artikel 25 van de faillissementswet bedoelde, waarvan het instellen aan de curator is voorbehouden, daar het enquêteverzoek geen betrekking heeft op de tot de boedel van de dochters behorende rechten of verplichtingen. Genoemde wet werpt overigens geen verhindering op voor de uitoefening door bestuurders van de dochters van hun bevoegdheid die vennootschappen in rechte vertegenwoordigen. In het principale beroep betwist de curator als verweerder de ontvankelijkheid van de dochters in hun cassatieberoep op de grond dat deze de bevoegdheid missen buiten de curator in hun faillissementen om beroep in cassatie in te stellen tegen de beschikking van de Ondernemingskamer. Dit middel faalt om dezelfde reden als het middel in het incidentele beroep. 4.2. Beoordeling van de middelen van cassatie in het principale beroep 4.2.1 Middel 1 keert zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat mr Hamm als curator van Beheer bevoegd is met betrekking tot de […]”
r.o. 4.1
“Middel 1 keert zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer dat mr Hamm als curator van Beheer bevoegd is met betrekking tot de Nederlandse dochters een enquête te verzoeken. Met betrekking tot die bevoegdheid moet voorop worden gesteld dat niet in geding is de uitoefening van een bevoegdheid door een aandeelhouder van Beheer tegenover Beheer dan wel een van haar organen. Het gaat hier om de bevoegdheid van Beheer zelf, op grond van haar hoedanigheid van houdster van aandelen in van haar te onderscheiden andere vennootschappen en uit te oefenen tegenover die andere vennootschappen. De door het middel opgeworpen bevoegdheidsvraag betreft derhalve niet de uitoefening van een vennootschapsrechtelijke bevoegdheid. Voor Beheer vormen de aandelen in de Nederlandse dochters bestanddeel van haar vermogen. De omstandigheid dat de bevoegdheid te verzoeken om een enquête op zich zelf geen vermogensrecht is, sluit niet uit dat de aandeelhouder met zulk een verzoek kan beogen een vermogensbelang te dienen. Gelet op het een en ander bestaat er geen grond om aan een dergelijk verzoek het karakter te ontzeggen van een daad van beheer met betrekking tot een vermogensbestanddeel, tot welk beheer, indien dat vermogensbestanddeel in een failliete boedel is begrepen, krachtens artikel 68 van de Faillissementswet de faillissementscurator bevoegd is. Het middel faalt derhalve. 4.2.2 Middel 2 strekt ten betoge dat de Ondernemingskamer de curator van Beheer niet-ontvankelijk had moeten verklaren […]”
r.o. 4.2.1
“Middel 2 strekt ten betoge dat de Ondernemingskamer de curator van Beheer niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzoek, nu deze niet tevoren zijn bezwaren schriftelijk kenbaar had gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen van elk der betrokken Nederlandse dochters. Het neemt aldus stelling tegen het in rechtsoverweging 3.8 van de bestreden beschikking besloten liggende oordeel dat in een geval waarin het verzoek om een enquête zich richt tegen een failliete vennootschap, aan de in artikel 2:349 lid 1 BW gestelde eis van voorafgaande schriftelijke kennisgeving kan worden voldaan door de bezwaren in plaats van aan het bestuur en de raad van commissarissen, kenbaar te maken aan de curator van die failliete vennootschap. Dat oordeel wordt tevergeefs bestreden. Aangezien een effectieve benutting van de gelegenheid tot het onderzoeken van bezwaren en het naar aanleiding daarvan nemen van maatregelen grotendeels afhangt van het voorhanden zijn van middelen en bevoegdheden waarover na de faillietverklaring van de betrokken vennootschap slechts de curator van die vennootschap kan beschikken, is het met doel en strekking van artikel 2:349 BW verenigbaar te achten dat na intreding van faillissement de kennisgeving wordt gedaan aan de curator. De klacht die zich richt tegen de overweging van de Ondernemingskamer dat de curator als vertegenwoordiger van de vennootschappen optreedt, behoeft geen behandeling aangezien die overweging niet dragend is voor het hierboven […]”
r.o. 4.2.2