Hoge Raad · 22 maart 2000
Toetsing voorziening bijzondere risico's in jaarrekening aan artikel 2:374 BW
- Jaarrekening
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een enquêteprocedure over de vraag of een voorziening voor bijzondere risico's op internationale projecten in de jaarrekening gehandhaafd mocht worden. De Hoge Raad formuleert de maatstaf onder artikel 2:374 lid 1 onder b BW: de ondernemer moet in redelijkheid tot de voorziening hebben kunnen besluiten, met voldoende zekerheid over het risico en voldoende gegevens om de omvang te schatten. Het oordeel van de OK blijft in stand en het cassatieberoep wordt verworpen.
Kernoverweging
“Onderdeel 3 van het middel richt zich tegen de beslissing van de Ondernemingskamer dat de handhaving in het boekjaar 1995 van de toevoeging in 1994 van ¦ 10.000.000,-- aan de voorziening in verband met de werken in Hong Kong gerechtvaardigd was. Ingevolge artikel 2:374 lid 1 aanhef en onder b BW kunnen op de balans voorzieningen worden opgenomen tegen op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten. Bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde voorziening in de jaarrekening gerechtvaardigd is, dient in het algemeen maatstaf te zijn of de ondernemer daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Bij de toetsing aan het bepaalde in artikel. 2:374 lid 1 aanhef en onder b zal aan de hand van die omstandigheden bovendien moeten worden vastgesteld of (i) een voldoende mate van zekerheid bestaat met betrekking tot de in die bepaling bedoelde risico’s en (ii) voldoende gegevens voorhanden zijn op grond waarvan de omvang ervan redelijkerwijs kan worden geschat. Onderdeel 3 van het middel strekt ten betoge dat de Ondernemingskamer zich van die criteria onvoldoende rekenschap heeft gegeven, althans daarvan onvoldoende in de motivering van haar beslissing heeft doen blijken. Het onderdeel faalt echter op grond van het volgende. De Ondernemingskamer heeft in rov. 7.1 aangegeven op welke gronden zij heeft getoetst. In rov. 7.2 heeft de Ondernemingskamer […]”
r.o. 3.4