← Week 12

Hoge Raad · 24 maart 2000

Wachtkamer Televisie Nederland (WTN)

Stortingsplicht oprichters bv: bankverklaring artikel 2:203a BW en terugboeking naar andere rekening

  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator vordert van de oprichters van een failliete bv nakoming van de stortingsplicht. Het kapitaal was gestort via een bankverklaring, maar het bedrag was tegelijk van een andere rekening van de vennootschap in oprichting afgeschreven en na de oprichting teruggeboekt. De Hoge Raad oordeelt dat de stortingsplicht dan niet is nagekomen, ook al is aan de letter van artikel 2:203a BW voldaan, en verwerpt het cassatieberoep.

Kernoverwegingen

“De onderdelen 1.1 en 1.3 bevatten geen klacht. De klachten, voorgedragen in de onderdelen 1.4, 1.5, 1.6, aanhef en onder (1), en 1.7, aanhef en onder (2) en (3), en in middel 2, zijn alle gebaseerd op het uitgangspunt dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat vóór de oprichting van WTN B.V. rekening 2 een rekening van de vennootschap in oprichting was, doch rekening 1 een rekening (niet van de vennootschap in oprichting maar) van de vennootschap onder firma “Wachtkamer Televisie Nederland B.V. i.o.”, waarvan [eisers] de vennoten waren. Dit uitgangspunt mist feitelijke grondslag. Het Hof is kennelijk - in lijn met HR 17 september 1982, nr. 11958, NJ 1983, 120, welk arrest voor het huidige recht zijn betekenis heeft behouden - ervan uitgegaan dat, nu de latere oprichters van WTN B.V. de vennoten waren van WTN B.V. i.o. en de rechtshandelingen van WTN B.V. i.o. in verband met de rekeningen 1 en 2 waren verricht onder de naam van de vennootschap in oprichting, moet worden aangenomen dat WTN B.V. i.o. daarbij heeft gehandeld ten name en ten behoeve van de op te richten vennootschap. [eisers] hebben in de feitelijke instanties geen beroep gedaan op omstandigheden waaruit, mede in verband met de aard en de inhoud van de betrokken rechtshandelingen, anders zou kunnen voort vloeien. Daarbij verdient aantekening dat, anders dan in onderdeel 1.4 tot uitgangspunt wordt genomen, als zodanig niet kan worden aangemerkt de enkele omstandigheid dat de bedoelde vennootschap onder firma […]”

r.o. 3.2

“Bij de beoordeling van de overige klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 2:203a BW houdt, in de vorm van een regeling betreffende de aan de akte van oprichting te hechten verklaringen, mede een regeling in van de verplichtingen van de oprichters, indien voor of bij de oprichting van een besloten vennootschap op aandelen wordt gestort in geld. Volgens deze regeling hebben de oprichters niet slechts aan hun stortingsplicht voldaan indien (a) het gestorte bedrag bij de oprichting op een - aan de vereisten van art. 2:203a voldoende - rekening aan de vennootschap ter beschikking staat, doch tevens indien (b) de bedragen die op de bij de oprichting te plaatsen aandelen moeten worden gestort alle op een zelfde tijdstip, ten vroegste vijf maanden voor de oprichting, op een afzonderlijke rekening stonden welke na de oprichting uitsluitend ter beschikking van de vennootschap zal staan, mits de vennootschap de stortingen in de akte van oprichting aanvaardt. Op onttrekking van bedragen aan deze rekening is lid 4 van art. 2:203a van toepassing. Met de openstelling van mogelijkheid (b) beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het belang van oprichters die al voor de oprichting zaken gaan doen en dan het geld tot volstorting van hun aandelen al moeten besteden (Kamerstukken II, 1984-1985, 16 551, nr. 15, blz. 4). Blijkens haar ontstaansgeschiedenis heeft de in art. 2:203a neergelegde regeling ten doel zeker te stellen, dat geen oprichting van een vennootschap plaatsvindt […]”

r.o. 3.3

“'s Hofs arrest moet aldus worden gelezen dat naar het oordeel van het Hof dit laatste geval zich voordoet, indien het betrokken bedrag weliswaar op een ten name van de vennootschap in oprichting gevoerde bankrekening is bijgeschreven, doch de tegenwaarde daarvan tezelfdertijd ten laste van een eveneens ten name van de vennootschap in oprichting gevoerde bankrekening is afgeschreven, met dien verstande dat dit gebrek geheeld zou zijn indien de vennootschap na haar oprichting zou weigeren om de vóór haar oprichting ten aanzien van laatstbedoelde bankrekening verrichte rechtshandelingen te bekrachtigen, zodat de afschrijving ten laste van die rekening geen gevolg voor de vennootschap heeft. Aldus oordelend heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd. 3.4.2 Het Hof heeft vastgesteld dat in het onderhavige geval een bijschrijving (op rekening 2) en afschrijving (ten laste van rekening 1) als in 3.4.1 bedoeld heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft voorts overwogen dat uit de samenvoeging van de rekeningen 1 en 2 kort na de oprichting van WTN B.V. onder handhaving van het verhoogde krediet volgt dat WTN B.V. de schuld aan de bank voortvloeiende uit de debitering van haar rekening 1 heeft aanvaard. De Hoge Raad verstaat deze overweging aldus dat naar het oordeel van het Hof WTN B.V. de betrokken rechtshandelingen heeft bekrachtigd. 3.5 Onderdeel 1.2 faalt, aangezien de erin voorgedragen klachten zijn gebaseerd op een uitleg van art. 2:203a, die afwijkt van die welke hiervoor in 3.3 en […]”

r.o. 3.4.1

Gegevens

Bekend als
Wachtkamer Televisie Nederland (WTN)
ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA5258
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
24 maart 2000
Datum publicatie
13 augustus 2001
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:203a BW, 2:203 BW
Thema
Overig Boek 2
Aangesproken
aandeelhouder
Weekoverzicht
Week 12 van 2000

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.