← Week 17

Hoge Raad · 28 april 2000

Aansprakelijkheid moedervennootschap voor uitkeringen en terugbetaling lening bij failliete dochter; artikel 2:11 BW

  • Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een curator vordert van de enig aandeelhouder en diens bestuurders het faillissementstekort van een dochtervennootschap, na een aandelenverkoop gevolgd door een uitkering van interimdividend en vrije reserves en een terugbetaling van een lening. De Hoge Raad vernietigt het arrest waarin het hof de vordering afwees, wegens ontoereikende motivering over de noodzaak van voorzieningen en de vrije reserves in het licht van artikel 2:216 BW. Artikel 2:11 BW kent geen gelijkstelling van de feitelijk beleidsbepaler met een bestuurder; de zaak wordt verwezen.

Kernoverwegingen

“Onderdeel 2 is gericht tegen 's Hofs rov. 4.10 waar het Hof oordeelt dat de jaarstukken van Domp over 1987, die waren voorzien van de "goedkeurende" verklaring van de accountants Price Waterhouse Nederland van 22 september 1988 geen aanleiding gaven tot de gevolg-trekking dat door de curator noodzakelijk geachte, door het Hof in zijn rov. 4.4 en 4.5 besproken, voorzieningen noodzakelijk of redelijk waren. Ten aanzien van de door het Hof bedoelde voorzie-ningen, heeft de curator, naar het Hof in de bedoelde rechtsoverwegingen heeft vastgesteld, in de feitelijke instanties het volgende aangevoerd, ten dele op grond van een aan hem uitgebracht rapport van organisatie-advies-bureau KWW (verder het KWW-rapport). - In verband met het wegvallen van het contract met Yamaha had een bedrag van / 2.638.000,-- als reorga-nisatievoorziening moeten worden opgenomen aangezien geen vervangende leverancier was gevonden. - In verband met de lening aan de vennootschap Top Music B.V. had / 1.251.000,-- moeten worden af-ge-boekt, omdat deze vennootschap insolvent was. - In verband met dubieuze debiteuren had een voorzie-ning moeten worden getroffen van / 600.000,--. - In verband met garanties die Domp had gegeven aan Transamerica Financieringsmaatschappij B.V. voor de door deze vennootschap gefinancierde zustervennoot-schappen, had een voorziening van / 2.100.000,-- ge-troffen moeten worden. Het onderdeel gaat met juistheid ervan uit dat het Hof voor de beoordeling van de vraag of de hiervoor […]”

r.o. 4.2

“Onderdeel 1a is gericht tegen 's Hofs rov. 4.11. 's Hofs oordeel in deze rechtsoverweging dat dient te worden aangenomen dat de enig aandeelhoudster van Domp op 23 september 1988 en op 1 oktober 1988 mocht besluiten tot uitkering van / 4.799.000,-- als interimdividend, berust, evenals zijn hiervoor onder 4.2 besproken oordeel in zijn rov. 4.10, op de jaarstukken van Domp over 1987. Naar blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, volgt zonder nadere - maar ontbrekende - motivering, uit deze jaarstukken niet dat onjuist is het standpunt van de cu-rator dat de door hem noodzakelijk geachte voorzieningen dienden te worden getroffen. De daarop gerichte klachten van onderdeel 1a zijn derhalve gegrond. 4.4.1 Onderdeel 3 is gericht tegen 's Hofs rov. 4.4. Het-geen het Hof daar overweegt betreft, naar volgt uit zijn rov. 4.3, het door de curator gevoerde betoog dat de "vrije reserves" - ten tijde van het besluit van 1 oktober 1988 (hiervoor in 3.1 onder (viii) vermeld) tot uitkering van (interim)dividend - realiter niet vrij waren (in het bijzonder gelet op het bepaalde in art. 2:216 lid 2 BW), omdat ze nodig waren voor voorzie-ningen in verband met onder meer het wegvallen van de overeenkomst met Yamaha. In de eerste zin van rov. 4.4 vermeldt het Hof dat de curator heeft aangevoerd dat met betrekking tot het verlies van de overeenkomst met Yamaha als redelijk is te beschouwen een voorziening voor zes maanden, waarmee een bedrag van / 2.638.000,-- zou zijn gemoeid. 4.4.2 Het […]”

r.o. 4.3

“Onderdeel 12a keert zich in de derde plaats tegen 's Hofs oordeel in rov. 4.24, derde zin, waarin het Hof overweegt dat de curator tegenover de gemotiveerde be-twisting door Montedison, onvoldoende feiten heeft ge-steld waaruit kan volgen dat Montedison als werkgeefster van [oud-werknemer] aansprakelijk is voor de gewraakte handelingen van [oud-werknemer] die werden verricht in zijn hoedanigheid van procuratiehouder en commissaris van Domp, van bestuurder van of anderszins beleidsbepaler bij andere "Fender ven-nootschappen" of in privé. De curator heeft te dezer zake gesteld, samengevat weergegeven, (1) dat [oud-werknemer] van 1984 tot 5 maart 1991 in dienst was van Montedison en door toedoen van Montedison bij Domp is benoemd tot procuratiehouder en commissaris en uitsluitend door Montedison werd betaald; (2) dat [oud-werknemer] feitelijk degene was die het beleid binnen Domp bepaalde als gemachtigde van Montedison; (3) dat de transacties en onttrekkingen eind september/begin oktober 1988 hebben plaatsgevonden op aanwijzing van Montedison. In het licht van deze stellingen behoefde 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel, dat de curator te dezen onvoldoende feiten heeft gesteld, nadere motivering. In zoverre is het onderdeel derhalve gegrond. 4.13.4 Onderdeel 12b richt zich tegen 's Hofs oordeel in zijn rov. 4.27 dat de curator onvoldoende heeft aang-evoerd voor zijn stelling dat Montedison door middel van [oud-werknemer], als haar vertegenwoordiger of werknemer, het be-leid in […]”

r.o. 4.13.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA5658
Instantie
Hoge Raad
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
28 april 2000
Datum publicatie
8 november 2005
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:248 BW, 2:259 BW, 2:216 BW, 2:11 BW, 2:138 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Overig Boek 2
Aangesproken
["beide"][0]
Uitkomst aansprakelijkheid
aangehouden/tussenuitspraak
Weekoverzicht
Week 17 van 2000

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.